Wilde zwijnen aan het aas: groepsgrootte maakt het verschil
ARK Rewilding NederlandWilde zwijnen zijn echte 'ecosystem engineers': ze spelen een sleutelrol in de natuur en kunnen hun leefomgeving sterk veranderen door hun wroetgedrag. Ook zijn het fervente aaseters, die het ontbindingsproces van dode dieren aanzienlijk kunnen versnellen. Uit eerder onderzoek bleek al dat zwijnen niet alle dode dieren die ze tegenkomen ook direct opeten. Maar als ze eenmaal beginnen met aaseten, eten ze veel en snel.

Wat bepaalt hoeveel en hoe lang wilde zwijnen van een kadaver eten?
Wilde zwijnen kunnen dus een belangrijke rol spelen bij de ontbinding van kadavers, maar hun invloed hangt af van hoe lang ze ervan eten. De vraag is: waarom eten ze van sommige kadavers heel veel en van andere kadavers niet of nauwelijks? Spelen de grootte van de groep en sociale dynamiek hier een rol bij?
Om dat te onderzoeken, analyseerden we cameravalbeelden van wilde zwijnen bij kadavers in Nederlandse natuurgebieden. Deze kadavers werden gefilmd in een periode dat er nog geen wolven waren, waardoor we specifiek konden kijken naar het gedrag van de zwijnen zonder de invloed van grote roofdieren.
Op de beelden volgden we het gedrag van individuele zwijnen binnen groepen (rotten genoemd) van verschillende groottes. Daarbij bekeken we onder andere wanneer dieren bleven eten en wanneer ze overschakelden naar interacties met soortgenoten.
Samen eten stimuleert eten
Hoe groter de rotte, hoe groter de kans dat wilde zwijnen langere tijd van een kadaver bleven eten.
Dit is op verschillende manieren te verklaren. In een grotere rotte hoeft ieder individueel dier bijvoorbeeld minder lang alert te zijn voor gevaar en is het risico op predatie kleiner. Daarnaast kan het gedrag van soortgenoten aanstekelijk werken: wanneer andere zwijnen eten, kan dat de kans vergroten dat een dier zelf ook blijft eten. Dit wordt sociale facilitatie genoemd.
Maar samen eten leidt ook tot competitie
Groepsgedrag kan verklaren waarom wilde zwijnen in korte tijd zo veel van een kadaver kunnen eten, maar er zijn meer factoren die een rol kunnen spelen. Meer zwijnen rond een kadaver betekent ook meer concurrentie om hetzelfde voedsel.
Uit onze cameravalbeelden bleek dat de kans dat een zwijn stopte met eten en vervolgens interacteerde met een soortgenoot, het grootst was in middelgrote rotten van ongeveer tien individuen. Dat wijst erop dat competitie voor toegang tot het kadaver bij deze groepsgrootte een belangrijke rol speelt.
Opvallend genoeg nam die kans in nog grotere rotten weer af. Na een interactie met een soortgenoot gingen de dieren bovendien vaak opnieuw eten, vooral in groepen van meer dan tien zwijnen. Sociale interacties kunnen het eten dus onderbreken, maar de aanwezigheid van veel etende soortgenoten kan het tegelijkertijd stimuleren.
Wilde zwijnen eten dode dieren (aas) (Bron: ARK Rewilding Nederland)
Groepsgedrag bepaalt mede wat er met een kadaver gebeurt
Dit onderzoek laat zien dat groepsgrootte en sociale dynamiek een belangrijk effect hebben op het aaseetgedrag van wilde zwijnen. Dat betekent dat groepsgedrag van belangrijke aaseters als wilde zwijnen uiteindelijk mede bepaalt hoe snel een kadaver wordt opgegeten en of er nog iets over blijft voor andere aaseters. Dat heeft weer een belangrijk effect op de kringloop van voedingsstoffen: hoe sneller een kadaver wordt opgegeten door grote aaseters, hoe meer de voedingsstoffen in het ecosysteem worden verspreid. Dat gebeurt bijvoorbeeld in de vorm van poep of stukken kadaver die worden meegenomen en op een andere plek worden afgekloven. Zo komen er ook kadaverresten op andere plekken terecht. Door de verspreiding van voedingsstoffen te stimuleren door meer ruimte te geven aan aaseters, kunnen deze beter worden opgenomen door de bodem, waardoor meer planten ervan kunnen profiteren.
En dat is van groot belang voor de Nederlandse natuur, waaronder de Veluwe. Meer verspreiding van voedingsstoffen zorgt voor een gezondere bodem, waardoor planten de vrijgekomen voedingsstoffen direct kunnen opnemen. Komen de voedingsstoffen alleen vrij op en rond het kadaver, dan raakt de bodem verzadigd en is de kans groot dat de voedingsstoffen uitspoelen naar diepere bodemlagen waar planten, en indirect planteneters, niet meer bij kunnen.
Dit onderzoek is uitgevoerd in de periode dat wolven nog niet aanwezig waren in de betreffende gebieden. Inmiddels is de situatie veranderd: wolven zijn hier nu wel aanwezig! Momenteel zijn we, in samenwerking met Natuurmonumenten, aan het onderzoeken hoe de aanwezigheid van wolven de ontbinding van kadavers beïnvloedt op de Veluwe en of het gedrag van aaseters hierdoor verandert. Of wolven daarmee indirect ook bepalen hoe snel voedingsstoffen uit kadavers weer in het ecosysteem terechtkomen, moet het lopende onderzoek uitwijzen.
Tekst: Elke Wenting en Melanie Pekel, ARK Rewilding Nederland
Beeld: Karsten Reiniers en Jeroen Helmer, ARK Rewilding Nederland; ARK Rewilding Nederland
