Bijenwolven en spinnendoders in botanische tuin
Hortus botanicus LeidenVan 15 tot en met 23 augustus vond de Nationale Wespentuintelling plaats. Meer dan 250 deelnemers liepen verspreid over Nederland een half uur door hun tuin om daarna de waargenomen wespen in te voeren. De Leidse Hortus deed dit jaar voor de tweede achtereenvolgende keer mee. Opnieuw hielp entomoloog Aglaia Bouma met het tellen en op naam brengen van de waargenomen wespen, zweefvliegen en bijen.

Limonadewesp het meest geteld
Landelijk werden 'limonadewespen' het meest geteld, en ook in de Leidse Hortus was dat het geval. Dit is een verzamelnaam voor de door de meeste mensen moeilijk van elkaar te onderscheiden Duitse wesp (Vespula germanica) en gewone wesp (V. vulgaris). Wij vonden onderweg drie nesten van de gewone wesp in de buurt van de vijver. Deze wespen zagen we op andere insecten jagen, waaronder in totaal twintig menuetzweefvliegen (Syritta pipiens), tien honingbijen (Apis mellifera) en een ranonkelbij (Chelostoma florisomne).
Ondanks de langdurige droogte bloeiden hier nog relatief veel planten, zoals sneeuwbes (Symphoricarpos albus), waarop we een stadsreus (Volucella zonaria) aantroffen. Het betrof een vrouwelijk exemplaar, aan de roestbruine kleur van het kopborststuk en de duidelijke tussenruimte tussen de ogen te zien. Mannelijke stadsreuzen hebben een zwartachtig kopborststuk en elkaar rakende ogen boven op de kop.

Spinnendoders op jacht
Met behulp van haar onafscheidelijke insectenzuigbuis wist Aglaia twee spinnendoders (Anoplius concinnus) te vangen, die zenuwachtig bewegend op de bodem onder het blad van wintergroene bosbes (Vaccinium dendrocharis) op spinnen joegen. Deze wespen verlammen een gevangen spin met een snelle steek. De buitgemaakte spin wordt vervolgens door de spinnendoder naar een ondergronds nest gesleept. De wesp zet daar een ei af op de nog levende spin. Eenmaal uit het ei eet de wespenlarve de spin op, waarna de larve zich verpopt. In de pop verandert de larve in een nieuwe spinnendoder, waarna de cyclus opnieuw begint.

Bladwesp op brandkruid
Op het blad van de wonderboom (Ricinus communis) in de systeemtuin zagen we een gitje (Cheilosia sp.) en op de bloeiwijze van brandkruid (Phlomis russeliana) ontdekte Aglaia een bladwesp, die wegvloog voordat deze op naam gebracht kon worden. Deze wespen hebben geen wespentaille en hun larven lijken op rupsen. Met een op een zaag lijkende legboor worden eieren in planten afgezet.
Bijenwolven en knoopwesp op Marokkaanse munt
Tegen het einde van de wespentelling kwam de zon tevoorschijn. Het aantal vliegende insecten in de op het zuiden gelegen Mediterrane tuin nam daardoor exponentieel toe. Op bloeiende Marokkaanse munt (Mentha spicata ‘Moroccan’) in het zand langs het pad telden we twee mannelijke bijenwolven (Philanthus triangulum). Deze graafwespen hebben een gele, driehoekige bandering op het achterlijf en platte, brede voelsprieten. De kop is zwart en rond en heeft een geel masker in de vorm van een kroontje. Mannelijke bijenwolven hebben driepuntige kroontjes, bij vrouwelijke bijenwolven is het kroontje tweepuntig.

Vrouwelijke bijenwolven vangen voornamelijk honingbijen, die ze verlammen met een steek en vervolgens meeslepen naar hun nest. Daar balsemen ze de prooi om groei van bacteriën en schimmels tegen te gaan. Vervolgens leggen ze een eitje op de nog levende maar verlamde honingbij. Eenmaal uit het ei eet de larve het slachtoffer op.
In de laatste minuut van de telling landde er een knoopwesp, de groefbijendoder (Cerceris rybyensis), op de Marokkaanse munt. Ook dit is een graafwesp en deze soort jaagt op groef- en zandbijen. Sinds de ban op chemische bestrijdingsmiddelen in de botanische tuin neemt het aantal schakels in het inheemse voedselweb gestaag toe. Dat geldt ook voor het aantal waargenomen wespensoorten, die jagen op andere insecten om hun larven mee te voeden, en daarmee explosies van plagen helpen voorkomen.
Tekst: Barbara Gravendeel, Hortus botanicus Leiden; Aglaia Bouma, Naturalis BIodiversity Center
Beeld: Jan Meijvogel (leadfoto: bijenwolf op Marokkaanse munt); Mathilde Simons; Albert Jacobs
