Nature Today

MUS gaat weer beginnen

Sovon Vogelonderzoek Nederland
27-MRT-2010 - Binnen het stedelijk gebied blijkt een grote verscheidenheid aan vogelsoorten voor te komen. In 2009 werden er in Meetnet Urbane Soorten (MUS) bijna 300.000 vogels geteld, verdeeld over 157 soorten. Vanaf 1 april begint MUS alweer aan het vierde jaar.
Deel deze pagina

Bericht uitgegeven door SOVON Vogelonderzoek Nederland op zaterdag 27 maart 2010

Binnen het stedelijk gebied blijkt een grote verscheidenheid aan vogelsoorten voor te komen. In 2009 werden er in Meetnet Urbane Soorten (MUS) bijna 300.000 vogels geteld, verdeeld over 157 soorten. Vanaf 1 april begint MUS alweer aan het vierde jaar.

Het blijkt dat SOVON met MUS aan een solide meetnet voor stadsvogels bouwt. MUS is een populaire telling met veel nieuwe tellers en een verheugend aandeel vrouwen. Ook de grote deelname heeft ons aangenaam verrast. Het geeft aan dat we met deze laagdrempelige telling op de goede weg zitten om betrouwbare gegevens te verzamelen in een tot voor kort onderbemonsterd habitat.

Turkse tortels
Seizoen 2009
Het derde seizoen MUS werd voorafgegaan door een koude, zonnige en droge winter (2008/2009). Tussen eind december en half januari was er een venijnige vorstperiode. Omdat het kwik in de weken daarna niet flink omhoog ging bleef er nog lang ijs op de wateren liggen. April was zacht, zeer zonnig en over het hele land gemiddeld droog. Mei was warm en zonnig; nat in het noorden en westen van Nederland en droog in het zuidoosten. Juni was aan de warme kant, vrij droog en zonnig. Juli was warm, nat (vooral na 15 juli) en zonnig. De koude winter zal een negatief effect gehad hebben op de aantallen van veel standvogels. Voor de muizeneters was het een slecht jaar, maar voor de insecteneters was het een waar El Dorado in het voorjaar want er waren wel veel rupsen (2 rupsenpieken, onder andere kale eiken door rupsen wintervlinder in mei).

In het vorige seizoen zijn er in MUS bijna 300.000 vogels geteld, verdeeld over 157 soorten. Wat het eerste opvalt is de grote verscheidenheid aan soorten, iets wat we ook al in de eerste twee jaar zagen. Dit geeft aan dat er binnen het stedelijk gebied een grote variatie aan habitats voorkomt, met zijn eigen soorten. Naast de typische stadsvogels als huismus, gierzwaluw en turkse tortel zien we soorten gebonden aan water, cultuurland en bos, maar ook roofvogels. Watervogels zijn tegenwoordig prominent aanwezig en in de afgelopen decennia hebben de grotere soorten de steden ontdekt. De knobbelzwaan komt vooral voor in het westen van ons land, terwijl in het oosten vooral de grauwe gans gezien wordt. De nijlgans kent een ruime verspreiding in het midden van het land, maar het is opvallend dat de soort in het zuiden en noorden in lage aantallen is gezien.

Grauwe gans
Er zijn maar liefst acht soorten roofvogels doorgegeven. Op voorhand zou je denken dat de sperwer het meest wordt gezien; buizerd en torenvalk gaan deze echter nog voor. Verder is het verrassend dat de havik minder werd gezien dan de veel zeldzamere slechtvalk. Leuk was ook dat het eerste broedgeval van de slechtvalk in de Achterhoek (Borculo) via MUS gezien werd. Meeuwen zijn vooral in het westen van het land gezien (met name de grote soorten), daar waar ook gebroed wordt in het stedelijke gebied of de directe omgeving. In de jaren zeventig en tachtig was de turkse tortel de meest algemene duif in het stedelijk gebied, maar op basis van MUS kunnen we concluderen dat die vlieger nu op gaat voor de houtduif. De laatste werd bijna twee en een half keer meer gezien dan zijn Turkse broertje, wat aangeeft hoe succesvol de houtduif is.

Bij veel soorten zie je een oost/west of een noord/zuid verschil in de verspreiding. Bij de lijsters is dit verschil het minst aanwezig. In de groep van de zangers gaat het vooral om zomergasten en de minst kritische vogels uit deze groep (zwartkop en tjiftjaf) behalen de hoogste aantallen. Dit zijn ook de twee soorten die in de eerste telperiode al gezien kunnen worden. De overige soorten komen wat later terug (dus lagere trefkans) en zijn ook minder algemeen. Bossoorten die gebonden zijn aan naaldbomen, zoals goudhaan en zwarte mees, worden maar sporadisch gezien. Dit geldt niet voor bossoorten die een voorkeur hebben voor loofbomen zoals grote bonte specht en boomkruiper, welke beide op ruim de helft van de routes zijn gezien. Bij koolmees en pimpelmees verschilt de aanwezigheid op het aantal routes niet veel (respectievelijk 433 om 463), maar de aantallen wel, namelijk ruim twee en een half maal zoveel koolmezen. Waarschijnlijk komt dit doordat de kleinere pimpelmees vaak het onderspit delft in de concurrentie met de koolmees om nestplaatsen (vooral nestkastjes) en voedsel. De kauw en zwarte kraai werden op nagenoeg evenveel routes gezien maar de kauw wordt in veel hoger aantallen waargenomen doordat hij broedt in losse kolonies. De torenkraai was ook de meest algemene soort in MUS in 2009. Hierbij moet worden opgemerkt dat er wellicht wat ruis is doordat slaaptrekkende groepen kauwen (vooral in april) zijn meegeteld.

Kauw
Zoogdieren tellen ook mee
Vanaf 2009 bieden we ook de mogelijkheid om zoogdieren door te geven. Ook bij enkele tellingen van SOVON (BMP en PTT) wordt dit al jaren gedaan. Het blijken waardevolle gegevens, niet in de laatste plaats voor onze zustervereniging de Zoogdiervereniging. Belangrijk is om in het oog te houden dat het tellen van zoogdieren niet ten koste mag gaan van de vogels binnen de 5 minuten periode. Het is dan beter om de zoogdieren direct na de 5 minuten te tellen en noteren. In het jaar van de egel (2009) van de Zoogdiervereniging werden slechts 12 exemplaren doorgegeven op negen routes. Konijn, kat en haas werden het vaakst doorgegeven. Naast het monitoren van de aantallen en trends kan MUS hiermee ook een indicatie geven over de beschikbaarheid van prooien (bijvoorbeeld bij konijn) of de omvang van predatie (door de kat).

Een nieuw seizoen
In 2010 beginnen we aan het vierde seizoen. MUS wordt elk jaar waardevoller. In februari is er een opschoonactie geweest van routes die niet of nauwelijks geteld zijn (de betreffende tellers zijn hierover ingelicht) waardoor er ruim 200 vrijgegeven zijn. Op dit moment zijn ruim 600 postcodegebieden vergeven. Daarvan zijn er vanaf begin dit jaar ruim 100 nieuwe geclaimd. De winter was koud en duurde lang. Daarnaast was er ook nog veel sneeuw. Dit heeft ongetwijfeld zijn weerslag op de aantallen van diverse standvogels zoals winterkoning, huismus en waterhoen. Vanaf half maart is het dan echt voorjaar geworden. Je hoort het meteen aan het opgetogen gezang van zanglijster, koolmees en merel, én ook veel mensen kruipen uit hun winterdip.

Wilt u zelf ook gaan MUSsen, kijk dan op de SOVON-site onder MUS voor meer informatie. Nieuwe tellers zijn nog steeds welkom.

Tekst: Jan Schoppers en Harvey van Diek, SOVON Vogelonderzoek Nederland
Foto's: IVN Vecht & Plassengebied

Deze website maakt gebruik van cookies. Wilt u meer informatie over cookies en welke worden opgeslagen?
Lees de cookieverklaring. Niet meer tonen