Vlindergegevens uit twee natuurmonitoringssystemen gecombineerd: een succesvolle pilot

Bosgroepen, De Vlinderstichting
16-FEB-2021 - In weinig landen wordt de natuur zo intensief gemonitord als in Nederland. Duizenden waarnemers verzamelen ieder jaar informatie over het voorkomen van planten en dieren. Verschillende organisaties gebruiken deze waarnemingen om ontwikkelingen bij soorten vast te stellen. Door de twee belangrijkste natuurmonitoringssystemen te combineren, blijken we meer informatie uit de gegevens te kunnen halen.
Deel deze pagina

NEM en SNL-monitoring

De twee belangrijkste pijlers van natuurmonitoring zijn het NEM (Netwerk Ecologische Monitoring en de SNL-monitoring (monitoring in het kader van het Subsidiestelsel Natuur en Landschap). Het NEM is bedoeld om trends te berekenen van soorten op regionaal en landelijk niveau. SNL-monitoring is daarentegen bedoeld om eens in de zes jaar de verspreiding van soorten in natuurgebieden in kaart te brengen, ter verantwoording van verkregen subsidies voor natuurbeheer. Beide systemen werken tot nu toe naast elkaar, omdat ze een ander doel dienen en gebaseerd zijn op andere methoden. Maar hierdoor versterken ze elkaar niet, en dat is jammer.
Zou het niet mogelijk zijn om meer informatie te halen uit de SNL-waarnemingen wanneer we ze combineren met de resultaten uit het NEM? Om dat te onderzoeken hebben Bosgroep Midden Nederland en De Vlinderstichting een pilot uitgevoerd met dagvlindergegevens, in opdracht van provincie Gelderland.

Overzicht van de heide op de Gortelse berg

Grote schommelingen in insectenpopulaties

De verspreidingsgegevens die eens in de zes jaar worden verzameld tijdens SNL-monitoring in natuurgebieden kunnen we niet zonder meer gebruiken om te berekenen welke soorten voor- of achteruitgaan. Dat geldt in het bijzonder voor de waarnemingen van dagvlinders, libellen en sprinkhanen, de insectengroepen die deel uitmaken van de SNL-monitoring. Insectenpopulaties vertonen namelijk grote schommelingen van jaar tot jaar, als gevolg van weersomstandigheden en andere (vaak onbekende) variabelen. Een dagvlindersoort bijvoorbeeld, kan in een natuurgebied in jaar 1 gemakkelijk drie keer algemener zijn dan in jaar 7, terwijl de gemiddelde trend over een langere periode negatief is, of andersom. Dit betekent dat een vergelijking tussen het aantal waargenomen vlinders van die soort in jaar 1 en jaar 7 tot verkeerde conclusies kan leiden over de ontwikkeling van de populatie in het gebied. De resultaten van SNL-monitoring zijn dus niet geschikt voor het rechtstreeks vaststellen van toe- of afnamen van insectensoorten, terwijl die informatie wél nuttig zou zijn voor het evalueren van de effectiviteit van het uitgevoerde natuurbeheer. Aan de andere kant is alleen informatie uit de meetnetten van het NEM voor de beheerder onvoldoende, omdat deze hiermee geen beeld krijgt van de verspreiding binnen zijn of haar natuurgebied. In deze pilot zijn beide methoden gecombineerd voor dagvlinders, waardoor we meer informatie uit de gegevens kunnen halen.

De pilot

Als onderzoeksgebied is de omgeving Gortel gekozen, een onderdeel van Kroondomein Het Loo dat vooral uit droge heide en bos bestaat en waar relatief veel verschillende dagvlindersoorten voorkomen. In dit Veluwse natuurgebied zijn zowel in 2013 als in 2019 dagvlinders gekarteerd volgens de SNL-methode.
Als eerste stap zijn de precieze vliegtijddata uit het NEM-meetnet vlinders (waar wekelijkse tellingen plaatsvinden op meer dan 1.000 routes) gebruikt om het aantal vlinders dat tijdens SNL-inventarisaties geteld is, bij te schatten. Het resultaat is voor elke soort een inschatting van het aantal vlinders dat per 250x250 meter-hok geteld zou zijn, als het hele gebied elke week onderzocht zou zijn. Door dit voor zowel 2013 als 2019 te doen, konden we vaststellen welke soorten voor- of achteruit zijn gegaan in Gortel.
Als tweede stap zijn deze resultaten vergeleken met de trends van elke soort in het meetnet vlinders, voor de regio ‘zandgronden van Midden- en Oost-Nederland’. Daaruit volgt welke soorten het in Gortel beter, slechter, of ongeveer even goed hebben gedaan als in de omgeving van Gortel. Dat is relevante informatie voor een beheerder, omdat hij of zij daarmee onderscheid kan maken tussen gebiedsspecifieke verklaringen (zoals het uitgevoerde natuurbeheer) en gebiedsoverstijgende verklaringen (zoals klimaatverandering of verzuring door stikstofdepositie). In het eerste geval heeft een beheerder meer handelingsperspectief dan in het tweede geval.

Bosparelmoervlinder en groentje als voorbeeld

De bosparelmoervlinder is de meest bijzondere vlindersoort in Gortel en staat als ernstig bedreigd op de Rode Lijst. Zowel voor de beheerder als voor de provincie is het daarom van belang om te weten hoe het met de soort gaat in Gortel. De bosparelmoervlinder werd tijdens de SNL-kartering van 2013 veel vaker waargenomen (137 waarnemingen en 187 exemplaren) dan in 2019 (34 waarnemingen en 36 exemplaren). Dat is een zorgwekkende ontwikkeling, maar als we de trend in Gortel vergelijken met de trend voor de binnenlandse zandgronden uit het NEM, dan blijkt dat de bosparelmoervlinder het in Gortel niet slechter doet dan daarbuiten. Het is daarom waarschijnlijk dat een gebiedsoverstijgende oorzaak bepalend is voor de achteruitgang, die vermoedelijk niet alleen door een ander beheer in Gortel is op te lossen. Bij het groentje is dat anders: de resultaten uit de SNL-monitoring laten een veel sterkere stijging in aantallen zien dan de populatietrend voor de zandgronden als geheel. Blijkbaar zijn de omstandigheden voor deze soort in Gortel bovengemiddeld goed en pakt het uitgevoerde beheer goed uit. Vanuit de beheergeschiedenis is dit ook verklaarbaar. De afgelopen jaren zijn verschillende corridors tussen heideterreintjes in Gortel aangelegd, door stroken bos om te vormen naar heide. Hierdoor zijn veel geleidelijke overgangen van bos naar heide ontstaan, met veel blauwe bosbes in de ondergroei. Dat zijn ideale omstandigheden voor het groentje.

Aantalsontwikkeling van bosparelmoervlinder en groentje voor de regio ‘zandgronden Midden- en Oost-Nederland’ (blauwe lijn) en voor onderzoeksgebied Gortel (rode lijn). De y-as is logaritmisch. Bosparelmoervlinder heeft het in Gortel ongeveer even slecht gedaan als in de hele regio, het groentje heeft het veel beter gedaan

Kansen voor bredere toepassing

Door SNL- en NEM-resultaten te combineren is het mogelijk gebleken om vast te stellen hoe dagvlinderpopulaties zich ontwikkelen in een natuurgebied en hoe die ontwikkelingen zich verhouden tot veranderingen op groter schaalniveau. Dit helpt om de effectiviteit van het natuurbeheer te beoordelen en zo nodig bij te sturen. Deze methode kunnen we in principe toepassen voor alle natuurgebieden waar SNL-dagvlinderkarteringen tweemaal of vaker hebben plaatsgevonden.
Dagvlinders zijn echter niet de enige insectengroep die in het kader van de SNL wordt gemonitord. Ook libellen en sprinkhanen gaan, afhankelijk van het beheertype, mee in de inventarisatie. Voor libellen is een vergelijkbare aanpak denkbaar, omdat ook voor die soortgroep een NEM-meetnet bestaat dat als referentiekader kan dienen. Het meetnet libellen heeft een minder goede landelijke dekking dan het meetnet vlinders, en er vinden minder frequent tellingen langs de telroutes plaats. Maar op landelijke schaal zijn de indexen voor de meeste soorten voldoende robuust. Voor sprinkhanen bestaat geen meetnet van telroutes, maar er zijn wel index-berekeningen op basis van het aantal 1x1 kilometer-hokken waarin de soorten zijn vastgesteld. Mogelijk kunnen we die indexen gebruiken om de resultaten van SNL-karteringen beter te interpreteren.

Het rapport 'Pilot combineren SNL- en NEM-data dagvlinders ten behoeve van monitoring natuurkwaliteit' is te downloaden via de website van de Bosgroepen (pdf; 1,72 MB).

Tekst: Jaap Bouwman & Tim Termaat, Bosgroepen en Chris van Swaay, De Vlinderstichting
Foto’s: Tim Termaat (leadfoto: groentje); Jeannette Hoek

Deze website maakt gebruik van cookies. Wilt u meer informatie over cookies en welke worden opgeslagen?
Lees de cookieverklaring. Niet meer tonen