Steenmarter

Alternatieve schuilplaatsen voor steenmarters: minder schade en overlast?

INBO, Zoogdiervereniging
9-DEC-2021 - De steenmarter is sinds de jaren negentig geëvolueerd van een zeldzame tot algemene soort in geheel Vlaanderen. Tegelijk met deze ontwikkeling is ook het risico op steenmarterschade toegenomen, aan pluimvee, voertuigen en woningen. In de context van dit toegenomen schaderisico rees dan ook de vraag in welke mate het aanbieden van alternatieve schuilplaatsen een oplossing zou kunnen bieden.
Deel deze pagina

Steenmarters nemen inderdaad niet zelden hun intrek in gebouwen. Ze kunnen dan voor overlast zorgen door bevuiling (via hun uitwerpselen of voedselresten) en lawaai (gekrijs, gestommel), maar ook materiële schade veroorzaken door bijvoorbeeld dakisolatie stuk te maken of in kabels en leidingen te bijten. Het doden van de dieren biedt hierbij – behalve bij grootschalige uitroeiing – geenszins een oplossing, aangezien het om een territoriale soort gaat en een vrijgekomen plaats heel snel door een soortgenoot zal worden ingenomen. In de context van dit toegenomen schaderisico rees dan ook de vraag in welke mate het aanbieden van alternatieve schuilplaatsen een oplossing zou kunnen bieden. Bij het zonder meer weren van steenmarters uit een schadegevoelig gebouw, bestaat overigens de kans dat het probleem zich verplaatst naar een ander gebouw binnen eenzelfde territorium.

Gedurende twee opeenvolgende voortplantingsseizoenen (2016 en 2017) werd een oriënterend onderzoek gedaan naar het ter beschikking stellen van ‘marterbunkers’ als mogelijkheid om schade en overlast van steenmarters in gebouwen te voorkomen of te verminderen. In dit onderzoek werd enerzijds een verkenning uitgevoerd naar de ruimtelijke mogelijkheden voor het plaatsen van dergelijke bunkers, en anderzijds naar het effectieve gebruik ervan door steenmarters. Voor dit laatste werd bij elke bunker een cameraval gericht op de toegangsopening zodat in- of uitkruipende dieren konden worden geregistreerd.

Opstelling van een marterbunker met cameraval gericht op de toegangsopening

Bouw van een ‘marterbunker’

Bij de keuze voor de bouw van een kunstmatige schuilplaats voor steenmarters steunden we op de bestaande kennis van de ecologie van de soort en haar voortplanting. Steenmarters hebben verspreid over hun territorium meerdere schuilplaatsen die ze als dagrustplaats gebruiken en één of enkele ervan ook als nestplaats. Vooral bij deze laatste categorie kan de hinder in gebouwen groot zijn, terwijl het net in die gevallen in principe het minst is geoorloofd om de dieren te verstoren. Geschikte nestplaatsen kunnen sowieso ook als goede dagrustplaatsen fungeren. Vanuit die context kozen we voor een alternatieve schuilplaats die voor beide functies zou kunnen dienen, in de hoedanigheid van een ‘marterbunker’. Een marterbunker is een holle balkvormige constructie (breedte 200 centimeter, lengte 300 centimeter, hoogte 200 centimeter) opgebouwd uit strobalen van klein formaat (breedte 46 centimeter, lengte 92 centimeter, hoogte 35 centimeter), en met een inwendige compartimentering. Deze constructie biedt in principe de mogelijkheid om een opgroeiend nest jongen een tijdlang de nodige (speel)ruimte te bieden, en komt ook tegemoet aan de eisen tot goede warmte-isolatie gezien de steenmarter een koude-gevoelige soort is.

Constructie van een marterbunker opgebouwd uit strobalen, stadium zonder daklaag

Om de onderste laag strobalen te isoleren van de grond tegen opstijgend vocht werd gestart met een fijnmazig betonnet steunend op een aantal verspreid liggende bakstenen. In één zijwand werd een smalle spleetvormige toegangsopening gelaten tussen twee strobalen, met aan de buitenzijde een verticale strook betonnet als opklimrekje. Aan de binnenzijde werd een compartimentering gecreëerd met een extra strobaal en een plank, om tocht en licht in de holle binnenruimte te weren. Het ‘dak’ werd uit een volledige laag strobalen gemaakt, steunend op een tweede betonnet om de overspanning te realiseren, en werd vervolgens met een waterdichte folie afgedekt. Afhankelijk van de locatie werd het geheel eventueel met maaisel of snoeihout erop en errond afgewerkt en geïntegreerd in de omgeving.

Mogelijkheden voor plaatsing

De eerste vraagstelling beperkte zich tot het nagaan of er in de nabijheid van een gemeld schadegeval van steenmarters een terrein kon worden gevonden in eigendom van een openbare eigenaar of van een natuurvereniging waar eventueel een marterbunker kon worden gebouwd. Daarbij werd een cirkelvormige zoekzone met een straal van 500 meter rond het schadegeval beschouwd, waarvan de overeenkomstige oppervlakte (circa 78,5 hectare) van dezelfde grootteorde is als een virtueel territorium van een steenmarterwijfje. Op basis van een oriënterende steekproef van 94 schadegevallen bleek alvast dat er zich heel wat theoretische mogelijkheden aandienden om, verspreid in het landschap, alternatieve schuilplaatsen te creëren zonder dat zij door hun inplanting op enige wijze hinderlijk zouden zijn. Vooral gemeentebesturen kunnen zich hierbij aandienen als belangrijke informatiebron voor concrete mogelijkheden. Het gaat dan zowel om gemeentelijke eigendommen zelf zoals bijvoorbeeld parken, als om eigendommen van andere openbare besturen of instanties, zoals gronden bestemd voor bepaalde nutsvoorzieningen en allerlei restgronden. Via de sterk gevorderde en nog voortschrijdende digitalisering van geografische informatie openen zich hier tal van mogelijkheden. Het is tevens zeker denkbaar dat ook eigenaars van grote tuinen en private bos- en natuurgebieden hierbij structureel zouden kunnen worden ingeschakeld, via bijvoorbeeld een gemeentelijke kennisgeving of oproep.

Gebruik van marterbunkers

Ten aanzien van de tweede vraagstelling werden in het eerste onderzoeksjaar tien bunkers gebouwd, en in het tweede jaar nog eens zeven extra. Omdat de keuze voor plaatsing ervan in het kader van de onderzoeksopzet gekoppeld was aan de vooropgestelde zoekzone, kon hierbij niet steeds een locatie worden gevonden die ook de nodige rust kon garanderen. Bij verschillende bunkers registreerden de camera’s herhaaldelijk menselijk bezoek, soms gepaard gaand met gerichte verstoring en vandalisme.

In het eerste jaar werden vijf van de tien bunkers spoedig door steenmarters gevonden en aansluitend effectief bezocht en als schuilplaats gebruikt, met respectievelijk 2, 7, 32, 52 en 83 cameraregistraties. Deze frequenties zijn hier slechts ruw indicatief, omdat de gebruikte cameravallen niet voldoende snel reageerden in geval van een plotseling in- of uitspringende steenmarter en enkel de wat langduriger interacties registreerden. In werkelijkheid zal het aantal bezoeken dan ook een stuk hoger geweest zijn. Zo registreerde, bij wijze van test, een snellere, parallel geplaatste cameraval vijf steenmarterbezoeken, terwijl de andere standaard-cameraval deze allemaal miste. Met het oog op de vraag naar de acceptatie van de bunkers als nestplaats stelde dit evenwel geen probleem, gezien het gebruik als nestplaats onvermijdelijk met langduriger aanwezigheid in de detectiezone van de camera gepaard zou gaan.

Hoewel geen van de bunkers als geboorteplaats van steenmarterjongen fungeerde, werden twee bunkers in de vroege zomer wel frequent als schuilplaats en tijdelijke verblijfplaats gebruikt door een moederdier met haar meelopende jongen.

Moederdier met haar meelopende jongen

En die kat kwam weer

In tegenstelling tot het relatieve succes van de bunkers gedurende het eerste jaar, bleek in het tweede jaar geen enkele van de 17 bunkers nog te worden gebruikt door een steenmarter. Het verschil tussen beide jaren was het aanbrengen van een ‘kattenwerende’ constructie. In het eerste jaar werd het merendeel van de bunkers immers ook regelmatig door huiskatten bezocht en soms langdurig als rustplaats gebruikt.

Huiskat en steenmarter wisselen elkaar regelmatig af in het gebruik van eenzelfde marterbunker: een huiskat gaat een bunker binnen om 13.46 uur (lb) en verlaat die om 20.13 uur (lo), vervolgens gaat een steenmarter de bunker binnen om 22.52 uur (rb) en verlaat die om 23.41 uur (ro)

De beslissing om over te gaan tot het aanbrengen van de kattenwerende constructie werd ingegeven vanuit de veronderstelling dat een steenmarterwijfje een schuilplaats waar regelmatig katten komen als niet-veilig zou beschouwen om daar jongen te werpen. Het is daarbij niet duidelijk of de concrete geur van katten in de bunker afschrikking veroorzaakt, dan wel de aard en toegankelijkheid van de schuilplaats op zich (ligging, bereikbaarheid, verborgenheid…), waarbij een mogelijke confrontatie met katten voldoende is om de bunker niet als voortplantingsplaats te kiezen.

Om katten uit de bunker te weren, werd voor de toegangsopening een plank aangebracht met daarin een zo klein mogelijke ronde opening zoals bij een (steenuil)nestkast, in combinatie met een halfopen gaaskoker. Deze laatste was eerder al nuttig gebleken om steenuilen uit een bunker te weren (opdat deze niet als ecologische val zou fungeren bij confrontatie met een kat of marter) zonder dat dit de steenmarters hinderde om de bunker te gebruiken. Kennelijk werkte vooral de afsluitende plank, ondanks de opening erin, in die mate ontmoedigend of afschrikkend voor de marters dat zelfs geen pogingen tot nadere verkenning werden geregistreerd.

Grenswaarden van openingen voor het weren van steenmarters

In het kader van het vermijden van schade in gebouwen worden in de literatuur en op websites afmetingen opgegeven van openingen waar steenmarters door kunnen binnendringen. Naar aanleiding van het weren van huiskatten uit de marterbunkers zijn we nagegaan wat de minimale afmetingen zijn van zowel ronde als spleetvormige openingen waar een volwassen steenmarter nog net doorheen kan kruipen. Daartoe werd een proefopstelling geconstrueerd in een kooi waarin enkele volwassen steenmarters verbleven, in een opvangcentrum voor vogels en wilde dieren. De kooi werd in twee compartimenten verdeeld, met tussen beide een verbindende opening waarvan de afmetingen werden gevarieerd. Ter stimulering van het gebruiken van deze doorgang werd slechts één compartiment van voedsel voorzien. Aangezien steenmarters een duidelijk seksueel dimorfisme kennen waarbij wijfjes een stuk ranker zijn dan mannetjes, spitste de proef zich om twee redenen toe op het (enige) wijfje van deze dieren in het gezelschap. Enerzijds zal een opening die te klein is voor een wijfje om door te kunnen kruipen, zeker ook te klein zijn voor een mannetje. Anderzijds zijn het precies de wijfjes die extra overlast in gebouwen kunnen veroorzaken wanneer ze er een nest jongen grootbrengen, en daarom soms geweerd moeten kunnen worden. Het wijfje in kwestie had een normale lichaamsbouw en grootte.

De minimale diameter waarbij het marterwijfje nog net, met de nodige moeite, door een ronde opening kwam was 5,7 centimeter. Bij een diameter van 5,0 centimeter lukte dit niet meer. Opmerkelijk was dat het marterwijfje nog net wel door een spleetvormige opening van 4,0 centimeter hoog kwam, namelijk door haar schoudergordel in de breedte uit te spreiden. Op basis van deze vaststellingen kunnen we stellen dat een diameter van maximaal 5 centimeter voor een ronde opening en maximaal 3 centimeter voor een spleetvormige opening als veilig beschouwd kan worden omdat steenmarters hier niet binnen kunnen dringen. Deze grenswaarden zijn duidelijk kleiner dan wat doorgaans gangbaar is. Een combinatie van beide vormen (rond en spleet) kon moeilijk systematisch worden getest, maar het marterwijfje slaagde er wel zonder moeite in om door de openingen van een klassieke golfplaat te kruipen.

Een volwassen steenmarterwijfje doet verwoede, maar vruchteloze pogingen om door een opening met een diameter van vijf centimeter te kruipen

Een volwassen steenmarterwijfje kan zonder moeite door een spleet van vier centimeter hoogte kruipen door haar schouder- en bekkengordel in de breedte te spreiden

Voorzichtige besluiten

Uit een beperkte geografische desktopverkenning blijken zich in principe heel wat theoretische mogelijkheden aan te dienen voor het bouwen van een marterbunker. Binnen deze theoretische mogelijkheden kan vervolgens een concreet idee geselecteerd worden op grond van wat in de praktijk zinvol is, vooral in relatie tot verstoringsgevoeligheid voor de steenmarters. Indien daarbij geen rekening gehouden moet worden met vaste zoekzones ten opzichte van een toevallig bekend schadegeval, kunnen zich ongetwijfeld heel wat locaties aandienen die voor steenmarters geschikter zijn dan in de huidige steekproef soms het geval was.

De vaststelling dat strobunkers als een regelmatige schuilplaats kunnen fungeren voor volwassen marters over het jaar heen, en vanaf de zomer gedurende meerdere weken ook voor moederdieren met meelopende grote jongen, is op zich interessant. De fase waarin deze steenmarterfamilies in hun territorium samen rondtrekken en actief zijn, gaat precies ook gepaard met situaties van overlast. De dagen en nachten waarop deze families in de bunker verblijven, treedt er elders geen overlast op.

Vanouds is bekend dat steenmarters graag gebruikmaken van allerlei veldschuurtjes en hooizolders. In het hedendaagse landschap ontbreekt het veelal aan dit soort potentiële schuilplaatsen. Het aanbieden van alternatieve schuilplaatsen, zoals in de hoedanigheid van een holle ‘strobunker’ kan de druk op andere schuilplaatsen mogelijk doen afnemen. Het is daarbij zeer onwaarschijnlijk dat het aanbieden van alternatieve schuilplaatsen, onder meer ter vervanging van afgesloten schuilplaatsen, ertoe zou leiden dat de oppervlakte van steenmarterterritoria systematisch zou verkleinen en de populatiedichtheid – en het aantal mogelijke schadegevallen – overeenkomstig zou toenemen.

In welke mate katten een rol spelen in de acceptatie van een bunker als potentiële nestplaats blijft momenteel onduidelijk. Tijdens het eerste onderzoeksjaar bleken huiskatten en steenmarters zich relatief weinig aan te trekken van elkaars bunkergebruik. Hierbij bezochten beide soorten bepaalde bunkers regelmatig, maar nooit tegelijk. De aanwezigheid van één van beide soorten in de bunker had dus wel een afwerend effect op de andere soort om dan ook de bunker binnen te kruipen.

Zoogdier

Dit artikel is ter beschikking gesteld door de redactie van Zoogdier. Zoogdier is het populair-wetenschappelijk kwartaalblad van de Zoogdiervereniging en Natuurpunt. Leden van de Zoogdiervereniging krijgen Zoogdier automatisch thuisgestuurd. Leden van Natuurpunt kunnen korting krijgen op een abonnement op Zoogdier. 

In Zoogdier worden artikelen gepubliceerd over zoogdieronderzoek en -bescherming van soorten die in Nederland en Vlaanderen (kunnen) voorkomen. Daarnaast kondigt Zoogdier ook activiteiten aan die werkgroepen van de Zoogdiervereniging (Nederland) en Natuurpunt (Vlaanderen) ondernemen.

Tekst: Koen Van Den Berge, Filip Berlengee en Jan Gouwy 
De auteurs zijn verbonden aan het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) in Geraardsbergen in Vlaanderen en werken aan tal van projecten rond verspreiding, ecologie en beheer van roofdieren in Vlaanderen.
Foto's: Henk van Harskamp (leadfoto: steenmarter); INBO