Veel wilde winterbloeiers in botanische tuin tijdens Eindejaars Plantenjacht
Hortus botanicus LeidenFLORON organiseerde tussen kerst en 3 januari voor de twaalfde keer een Eindejaars Plantenjacht. Plantenliefhebbers gaan dan overal in Nederland midden in de winter op zoek naar bloeiende (ver)wilde(rende) planten. Gedurende een uur noteer je alle bloeiers die je onderweg tegenkomt. Het doel van deze nationale telling is meer inzicht krijgen in hoe wilde planten reageren op klimaatverandering.
De Leidse Hortus deed voor het eerst mee. Tuinplanten mogen niet geteld worden. En zich op eigen kracht vestigende, verwilderende planten worden regelmatig door onze wiedploeg verwijderd. De verwachtingen waren dan ook niet al te hoog gespannen. Landelijk werden meer dan duizend tellingen ingestuurd, waaronder die van ons. We vonden in totaal 24 bloeiende plantensoorten, elf meer dan het landelijk gemiddelde van dertien bloeiers.

Vroeg startende voorjaarsbloeiers in de meerderheid
Van de top 25 meest gemelde soorten in heel Nederland bloeiden er in de Leidse Hortus tien: madeliefje, straatgras, paarse dovenetel, vogelmuur, klein kruiskruid, herderstasje, kleine veldkers, gewone melkdistel, hoge fijnstraal en tuinwolfsmelk. Hiervan zijn de eerste zeven soorten voorjaarsbloeiers die eerder begonnen, en de laatste drie zomerbloeiers die langer doorgingen. Van de 24 spontane wilde winterbloeiers in de Leidse Hortus bestond 63 procent uit de eerste en 37 procent uit de tweede categorie.
Hoge concentratie aan huizen, tuinen en stoepen zorgt voor rijke oogst
Geen van de door ons getelde winterbloeiers maakte deel uit van de aangeplante of uitgezaaide vaste collectie. Het betrof dus louter (ver)wilde(rende) soorten. Er zijn verschillende verklaringen voor het relatief hoge aantal gevonden bloeiende wilde planten.
De Leidse Hortus ligt midden in de stad. Analyses van FLORON laten zien dat plantenjachten in steden structureel meer bloeiende soorten opleveren dan in de natuur of agrarisch gebied. Het relatief hoge aantal huizen, tuinen en stoepen in een stad zorgt voor veel verschillende niches. Daardoor kunnen op een relatief kleine oppervlakte veel verschillende (ver)wilde(rende) plantensoorten voorkomen.
Een voorbeeld van een verwilderende kamerplant is slaapkamergeluk (op de leadfoto te zien). Deze oorspronkelijk uit de Balearen, Corsica, Sardinië en het vasteland van Italië afkomstige bodembedekker is een populaire kamerplant en verwildert landelijk in steegjes tussen slecht geïsoleerde huizen. In de Leidse Hortus is deze winterbloeier goed te zien op de muurtjes van de bollenbakken.
Moederkruid, schijnaardbei en tuinjudaspenning zijn voorbeelden van soorten uit warmere klimaten die al meer dan honderd jaar als tuinplant in Nederland gekweekt worden.

Klein kruiskruid, paarse dovenetel en vroegeling zijn voorbeelden van winterbloeiers die van zandig substraat houden. Dat is overvloedig aanwezig in voegen tussen klinkers en stoeptegels en aan de voet van muren.

Meer winterbloeiers in stedelijke hitte-eilanden
Er is ook een positieve correlatie tussen het aantal waargenomen bloeiers en de gemiddelde minimumtemperatuur. De Leidse Hortus ligt in een stedelijk hitte-eiland, wat het relatief hoge aantal waargenomen bloeiers mede kan verklaren. De meeste winterbloeiers vonden we in de luwte van de muren van de kassen en de oude Sterrewacht.
Lang leve onze wiedploeg
Tot slot is er een mogelijke link met het groenbeheer. In de Leidse Hortus worden sinds 2020 geen herbiciden meer gebruikt. Een grote groep vrijwilligers helpt ons met wieden van april tot november en daar zijn we heel blij mee. Het resultaat van dit maatwerk is een rijk bloeiende wilde flora op tal van ‘overhoekjes’, die in de winter insecten, amfibieën, slakken, vogels en kleine zoogdieren van voedsel en onderdak voorziet.
Tekst: Barbara Gravendeel en Rogier van Vugt, Hortus botanicus Leiden
Beeld: Rogier van Vugt (leadfoto: bloeiend slaapkamergeluk); Barbara Gravendeel; Jan Meijvogel; Hanneke Waller
