Spinnen in botanische tuin vooral 's nachts actief
Hortus botanicus LeidenSpinnen zijn ongewervelde dieren met acht poten. Ze hebben meestal acht, maar soms zes ogen op het kopborststuk, en spintepels aan het achterlijf. Het eerste paar monddelen is vaak omgevormd tot gifkaken, het tweede paar tot pedipalpen om sperma over te dragen. De meeste soorten zijn ‘s nachts actief om spinnenjagers te ontlopen.
Leidse Hortus gezegend met hoge diversiteit aan spinnen
In Nederland komen ruim 600 soorten spinnen voor, waarvan er tot nog toe 40 in de Leidse Hortus gezien zijn. Daar zijn we heel blij mee, omdat spinnen op planteneters jagen. Om aan de snavels van de boomkruiper, mezen, roodborst en winterkoning te ontkomen, verstoppen de meeste spinnen zich overdag. Als je weet waar je moet zoeken, is het echter vrij gemakkelijk om er een aantal te zien te krijgen.
Spinnen in camouflagekleuren
De gewone komkommerspin (Araniella cucurbitina) maakt kleine wielvormige webben in en onder bloeiwijzen om bladluizen te vangen. In het voorjaar is het achterlijf felgroen gekleurd, later in het jaar verkleurt dit naar bruin, zodat deze spinnen minder opvallen tussen de herfstkleuren.


Hol- en schorsbewoners
In de kieren tussen het dak en de muur van het tuinhuis van de Leidse Hortus zitten kerkzesogen (Segestria florentina) verstopt in holletjes vol spindraden. Als kakkerlakken of andere prooien tegen de webdraden aanstoten, komt deze spin tevoorschijn om ze met gif te verlammen.
De schorsmarpissa (Marpissa muscosa, zie de leadfoto) maakt geen web, maar zit verscholen tussen schors. Van daaruit bespringt de schorsmarpissa vliegen en andere prooien. Via een spindraad klimt deze springspin na iedere sprong weer naar boven terug de schuilplaats in.
Opportunisten
Kruisspinnen (Araneus diadematus) maken wielwebben. In de Leidse hortus zijn ze veel te vinden in webben onder de buitenlampen, waar ze nachtvlinders vangen die in het donker op het kunstlicht afkomen.
Grasbewoners
Wespspinnen (Argiope bruennichii) hebben een voorkeur voor vochtige terreinen. Je kunt ze ’s zomers in het gras langs de Witte Singel vinden. Daar spinnen ze stevige webben tussen de halmen om relatief grote prooien mee te vangen, zoals sprinkhanen.


SpiderSpotter-app
In steden worden sommige spinnensoorten, vergeleken met soortgenoten in de natuur, steeds kleiner en bleker om oververhitting te voorkomen. De Universiteit Gent doet hier onderzoek naar in het project SpinCity. Met de SpiderSpotter-app kan iedereen op spinnenjacht en bijdragen aan dit onderzoek.
Tekst: Barbara Gravendeel, Hortus botanicus Leiden
Beeld: Jan Meijvogel (leadfoto: schorsmarpissa (Marpissa muscosa)); Clare George; Rogier van Vugt
