Moerasparelmoervlinder - primair

Junidip: prachtig weer, weinig vlinders

De Vlinderstichting
28-MEI-2026 - Eind mei, begin juni, prachtig weer, overal bloemen, maar waar zijn de vlinders? Tijdens de junidip zijn er weinig dagvlinders actief in Nederland. Een natuurverschijnsel? Of is er toch meer aan de hand?

Op de grafiek ziet het er nog niet zo dramatisch uit. Het gemiddeld aantal vlinders op de transecten van het NEM meetnet dagvlinders stijgt vanaf begin maart tot rond de 17 exemplaren per duizend meter, en begint dan te zakken tot rond de 13 begin juni. Na midden juni loopt het aantal vlinders snel op om in de zomer te pieken. Maar die 13 vlinders zijn lokaal en vaak niet zo algemeen, en zo kan het zo maar gebeuren dat je begin juni een wandeling gaat maken bij een strak blauwe lucht, en nauwelijks vlinders ziet.

Gemiddeld aantal vlinders per telling in het meetnet dagvlinders gedurende het jaar. Rood vanaf 1990, blauw 2026

De witjes bijvoorbeeld, die normaliter altijd en overal wel te zien zijn, zijn schaars en ook de kroeglopers als dagpauwoog en kleine vos ontbreken. Dit patroon wordt veroorzaakt doordat eind mei en begin juni de echte voorjaarsvlinders, zoals het oranjetipje, al verdwenen zijn, net als de eerste generaties van de witjes, landkaartjes en andere soorten met meerdere generaties. Even is er dus niet veel te doen tot midden juni groot dikkopje en bruin zandoogje massaal verschijnen en de grafiek weer stijl omhoog buigt.

Enkele parelmoervlinders die begin juni vliegen

Maar zijn er dan geen vlinders die juist in deze tijd vliegen. Zeker wel, zelfs een flinke groep soorten heeft zijn piek eind mei en begin juni. Sommige hiervan waren altijd al zeldzaam (zoals het zilverstreephooibeestje), maar de moerasparelmoervlinder en het spectaculaire groot geaderd witje konden lokaal talrijk zijn. Van het groot geaderd witje wordt zelfs beschreven dat het een plaag kon zijn in boomgaarden, waar de rupsen van de blaadjes van appels en kersen kunnen eten.

Nog een aantal in juni actieve vlinders

Al deze soorten zijn verdwenen uit ons land, de rode vuurvlinder was zelfs de eerste soort die in 1948 verdween. Deze soorten hebben iets gemeenschappelijks: ze hebben maar één generatie per jaar en overwinteren als halfvolgroeide rups, en moeten dus zowel in de voorgaande zomer als in het voorjaar nog eten en groeien. Ze leven vaak op schrale, soms natte bodems, zowel in bossen (bijvoorbeeld de zilvervlek en de woudparelmoervlinder) als in vochtige graslanden (zoals de moerasparelmoervlinder en de rode vuurvlinder). En hier ging het mis. Al in het midden van de 20e eeuw werd het leefgebied zo schaars dat de ene na de andere soort verdween. De grootschalige ruilverkavelingen gaven een volgende zet. Uiteindelijk ging deze uitsterfgolf door tot het einde van de jaren 1980, toen het tweekleurig hooibeestje verdween van de Veluwe.

Sindsdien is het begin juni stil op dagvlindergebied. Maar dat was dus niet altijd zo. En ook niet overal: wie begin juni naar de Ardennen of de Eifel gaat ziet juist al deze bij ons verdwenen vlinders vliegen en kan zo de junidip doorkomen.

Tekst: Chris van Swaay, De Vlinderstichting
Beeld: Kars Veling (leadfoto: moerasparelmoervlinder); meetnet dagvlinders (NEM); Chris van Swaay