Roridula en de wantsen: een bijzondere samenwerking tussen plant en insect
Diergaarde Blijdorp, Hortus botanicus LeidenHet is al vrij lang bekend dat insecten en planten veel met elkaar van doen hebben. De bekendste schoolvoorbeelden zijn dat insecten en planten van elkaar afhankelijk zijn voor de bestuiving van de plant, waarbij de insecten beloond worden met nectar. Meestal is het bestuivingsproces voor beide soorten een win-winsituatie. Ook de samenwerking tussen mieren en planten is bekend en al eerder beschreven in een artikel waarbij de Aziatische mierenplant onderdak verleent aan diverse mierensoorten in speciale structuren van de stengel, en waarbij de afvalstoffen van het mierennest als voedingstoffen door de plant worden opgenomen. Tenslotte weten de meesten onder ons ook nog wel dat planten soms helemaal niet een wederzijds voordeel met insecten beogen. Er zijn tientallen zogenaamde ‘vleesetende planten’ die voor hun aanvulling van voedingstoffen allerlei methoden hebben ontwikkeld om insecten te vangen en te verteren. En wanneer we bij deze laatste groep aankomen, begint het verhaal van de Roridulaplant uit Zuid-Afrika.
De officiële naam is Roridula gorgonas en deze komt samen met nog een andere soort (R. dentata) uitsluitend voor in de fijnbosvegetaties van Zuid-Afrika. Beide soorten zijn dicht vertakt en kunnen tot wel 2 meter hoog worden. Delen van de stengels zijn verhout en de takken hebben aan het uiteinde dichte bundels van smalle, dunne blaadjes die wel 10 centimeter lang kunnen worden. Oude planten kunnen zich flink vertakken en tientallen tot honderden bladbundels omvatten. Ze groeien graag onder vochtige, moerasachtige omstandigheden met natte, warme zomers en koele, droge winters. Kortom, qua verzorging en levenscyclus een bijzondere plant die niet als ‘makkelijk’ bekendstaat. De dunne blaadjes zijn bedekt met korte klierharen met aan het einde harsachtige, kleverige druppels. Ze hebben erg veel weg van zonnedauw, die de meesten onder ons wel kennen, maar er zijn verschillen. De kleefdruppels van de zonnedauw hebben een samenstelling van eiwitten, die van Roridula zijn harsachtig en de klierharen zijn onbeweeglijk en kunnen zich niet om een prooi buigen. Er is wel een belangrijke overeenkomst met de zonnedauwsoorten: de plant vangt allerlei soorten insecten (en soms zelfs kleine vogels) in haar struikvormige uiterlijk. Aan de kleverige bladbundels van grote planten plakken soms wel honderden insecten. In Zuid-Afrika wordt de plant daardoor ook wel vlieëbos genoemd. Het is nog altijd een beetje een twijfelgeval. Is de plant wel een echte vleesetende plant omdat ze zelf geen klieren bezit die ook eiwitten van een dierlijke prooi kunnen verteren? Wat de plantkundigen daarvan denken, is voor de plant zelf natuurlijk geen probleem.

Om op de voedselarme groeiplaatsen toch voldoende voedingstoffen op te kunnen nemen, krijgt Roridula hulp vanuit onbekende hoek: van de wants Pameridea roridulae. De kleverige bladbundels lijken op deze kleine insecten (3-8 millimeter) geen vat te hebben. Door hun olieachtige beschermlaag zijn ze ook ongevoelig voor de kleefstof van het vlieëbos, waardoor ze zich overal op de plant vrijelijk kunnen bewegen. Ze scharrelen over de hele plant en verstoppen zich op de stengels of in de rozetten van afgestorven bladeren rondom de twijgen. Het is inderdaad nog niet zo lang bekend dat deze wantsen een cruciale rol spelen bij de voedselvoorziening van het vlieëbos. De wantsen leven van de door de plant gevangen insecten. Ze zuigen met hun steeksnuit de lichaamssappen uit het insect en scheiden vervolgens zelf vloeibare mest uit. De uitwerpselen van de wantsen komen op de bladeren van de Roridula terecht en via het blad worden de voedingsstoffen dan uiteindelijk door de plant opgenomen. De wants is zo gezegd het tussenstapje om voor de plant belangrijke voedingstoffen op te nemen. De levenscyclus van de wantsen speelt zich volledig af op de plant en deze zullen hun veilige plek ook nooit verlaten. De wantsen voeden zich met gevangen prooien, paren en leggen eieren vlak onder de ruwe stengels. De Roridula is hun hele universum! Het is dan ook een raadsel hoe de wantsen in de natuur terecht kunnen komen op planten die vele meters uit elkaar groeien. Hoe vinden de wantsen deze planten als ze zo honkvast zijn en niet erg goed kunnen vliegen?

Sinds kort is er op de botanische afdeling van Diergaarde Blijdorp achter de schermen een drietal vlieëbossies met wantsen geplaatst. Dit bijzondere verhaal over de plant en het insect in combinatie met een grote collectie Zuid-Afrikaanse planten in een dierentuin was reden genoeg om een poging te wagen de Roridula verder op te kweken. Qua verzorging is het meeste werk ervoor te zorgen dat het vlieëbos zelf onder de juiste groeiomstandigheden wordt gehouden. Aan de wantsen zelf valt weinig of niets te doen. Die doen wat ze moeten doen en zullen daarvan niet afwijken. Het enige dat de verzorger (ook voor de vleesetende planten) kan doen is een kweek met fruitvliegen in de buurt van de jonge planten opstarten. In de praktijk kan dit gewoon een stuk rotte banaan zijn waarop vanzelf fruitvliegen afkomen die dan ook door de Roridula worden gevangen. Fruitvliegen zijn wat formaat betreft erg geschikt. Het voeren van krekels is eigenlijk al een heel gedoe en de kans is groot dat ook de kleinste krekels in de plant zullen beschimmelen. In de winter houden we de planten lichtvochtig en vorstvrij en zorgen we voor een goede luchtstroom. We moeten nog wel wat meer ervaring opdoen voordat we het bijzondere verhaal over Roridula en de wantsen ook met het publiek voor de schermen kunnen delen. En hopelijk leven ze nog lang en gelukkig!
Tekst: Louwerens-Jan Nederlof, Botanische Afdeling Diergaarde Blijdorp (met dank aan Laurens Eggen van vleesetende planten-kwekerij Peaty Pitchers uit Venlo voor het plantenmateriaal en de kolonie levende Pameridea roridulae)
Beeld: Jitte Groothuis
