Nieuwe weerschijnvlinder van 30 miljoen jaar oud
De VlinderstichtingDe reden dat er weinig fossiele vondsten van vlinders zijn is onder andere omdat ze een zeer kwetsbaar lichaam hebben. Vlinders (en motten) hebben een zacht lichaam en dunne vleugels die bedekt zijn met microscopisch kleine schubjes. Zulke structuren vergaan snel en fossiliseren nauwelijks. Soms worden losse vleugelschubben teruggevonden, niet hele dieren. Deze schubben zijn hard en chitineus, maar wel minuscuul, waardoor ze makkelijk over het hoofd worden gezien of beschadigd raken.
Omstandigheden voor fossielvorming
Bovendien leven vlinders in omgevingen waar fossilisatie zelden plaatsvindt. Fossielen vormen zich vooral in zuurstofarme meren, rivierafzettingen en vulkanische aslagen. Vlinders leven echter bovengronds in droge, open en dynamische biotopen, en niet in omstandigheden die gunstig zijn voor fossielvorming. Ze komen soms wel als fossiel voor in amber – dat is versteende hars uit bomen. Maar niet in alle gebieden wordt amber gevormd en vlinders komen niet vaak in hars terecht omdat ze licht zijn en snel wegvliegen. Pas de laatste decennia wordt fijn sediment systematisch onderzocht op microscopische resten, zoals vleugelschubjes. Hierdoor zijn oudere vlinderresten – meer dan 200 miljoen jaar oud – recent pas herkend.
Nieuwe soort
Daarom is het des te verrassender dat er een nieuw geslacht en een nieuwe soort weerschijnvlinder (Nymphalidae, Apaturinae) beschreven is op basis van een uitzonderlijk goed bewaard gebleven exemplaar. Het fossiel werd gevonden in de kalksteenformatie 'Calcaire de Campagne Calavon' in Zuid-Frankrijk uit het vroeg-Oligoceen, ongeveer 34 tot 28 miljoen jaar geleden. De meeste delen van de rechtervleugels en de bovenste delen van de linkervleugels zijn zichtbaar, met een volledig nerfwerk en zelfs vleugelpatronen. De kop en het borststuk zijn duidelijk zichtbaar vanaf beide zijden en het grootste deel van het achterlijf is behouden. De nieuwe soort, Apaturoides monikae, die geen Nederlandse naam heeft, wordt vergeleken met alle geslachten van de onderfamilie en wordt op basis van de vorm van de vleugels en de adering beschouwd als het meest vergelijkbaar met soorten van het geslacht Apatura, de weerschijnvlinders. Deze ontdekking maakt het schatten van verwantschappen en divergentieschattingen onder vlinders beter mogelijk.
Meer informatie
Tekst: Kars Veling, De Vlinderstichting
Beeld: Rajei en collega's
