Lupine met steenhommel

Meer bestuivers in agrarisch gebied? Bloeiende gewassen helpen mee

Wageningen Environmental Research, Wageningen University & Research
20-APR-2026 - Het telen van bloeiende gewassen, als aanvulling op bestaande habitatmaatregelen, kan helpen om meer bestuivers naar landbouwpercelen te trekken. Dat blijkt uit recent onderzoek van Wageningen University & Research in Nederland, waarin is gekeken naar de potentiële bijdrage van verschillende bloeiende gewassen aan bestuiverherstel, en specifiek naar die van boekweit.

Wat doen we al?

In het agrarische gebied wordt al veel gedaan om bestuivers te helpen, bijvoorbeeld door de aanleg van bloemstroken en het herstel van hagen. Deze maatregelen zijn essentieel: ze zorgen voor voedsel, nestgelegenheid en schuilplekken gedurende het hele jaar.

Nieuwe stap

Een interessante en logische volgende stap is om ook op de akkers zelf meer voedsel aan te bieden, via bloeiende gewassen. Die bieden weliswaar geen nestplek, maar kunnen tijdens de bloei voor korte tijd een hoog voedselaanbod bieden door een grote hoeveelheid nectar en stuifmeel te leveren. Daarmee vormen ze een waardevolle aanvulling op bestaande maatregelen.

Tegelijk is het effect niet vanzelfsprekend. Slechts een klein deel van de Nederlandse bestuivers bezoekt gewassen, en het was lange tijd onduidelijk welke gewassen potentie hebben om bij te dragen aan bestuiverherstel. Daarom is voor meer dan dertig bloeiende gewasgroepen in Nederland in kaart gebracht welke bestuivers erop afkomen en wat hun potentiële bijdrage is aan sterkere populaties.

Hommels, zoals de aardhommel en de steenhommel, bezoeken massaal bloeiende gewassen, zoals witte lupine

Welke gewassen helpen bestuivers echt?

Bloeiende gewassen kunnen vooral algemene bestuivers in het agrarisch gebied ondersteunen, zoals hommels, sommige soorten zandbijen en zweefvliegen als de blinde bij en snorzweefvlieg. Meerjarige fruitgewassen, zoals appel en peer, bieden daarbij interessante kansen. Ze beslaan het grootste areaal in Nederland en zorgen samen voor een langere bloeiperiode. Dat helpt om bestuivers gedurende langere tijd van voedsel te voorzien en kan bijdragen aan sterkere populaties. Ook klaverteelt springt eruit. Dit gewas is naast hommels belangrijk voor een aantal meer gespecialiseerde soorten, zoals de donkere klaverzandbij en de klaverdikpoot die er zelfs van afhankelijk zijn.

Daarnaast zijn er kansen om het voedselaanbod voor bestuivers verder te verbreden met minder gangbare gewassen, zoals huttentut, mosterd, zonnekroon, erwt en kikkererwt, of met innovaties, zoals onderzaai in mais. Deze toepassingen zijn veelbelovend, maar vragen nog om verdere uitwerking in de praktijk.

Tot slot kunnen ook bloeiende vanggewassen een rol spelen. Doordat ze vaak laat in het seizoen bloeien, zijn ze vooral waardevol voor soorten die als volwassen insect overwinteren. Onderzoek aan onder andere koolzaad, veldbonen, lupine en boekweit laat zien dat deze gewassen bestuiverpopulaties kunnen versterken, al gaat het meestal om een specifieke groep soorten.

Boekweit vergroot bestuiverpopulaties – vooral bij langdurige teelt

Een concreet voorbeeld is boekweit, waar recent veldonderzoek naar is gedaan. In de periode van 2020 tot en met 2024 onderzocht Wageningen University & Research hoe boekweitteelt bijdraagt aan bestuiverherstel, en de rol van honingbijen daarin.

Natuurinclusieve boekweitteelt (rechts) kan bijdragen aan meer bestuivers in het gewas en in de omgeving. Maatregelen als strokenteelt (links) en keverbanken (midden) versterken dat effect. Perceel Holtesch (Land van Ons), Hooghalen, Drenthe

Omdat boekweit sterk afhankelijk is van insectenbestuiving, is het plaatsen van honingbijkasten soms nodig voor een goede opbrengst. Tegelijkertijd kan dit leiden tot concurrentie met wilde bestuivers, terwijl boekweit vaak in natuurinclusieve landbouw wordt geteeld waar juist biodiversiteitsherstel een doel is. Daarom is onderzocht hoe honingbijdichtheden veranderen in en rond boekweitpercelen en wat de langetermijneffecten zijn van boekweitteelt op wilde bestuiverpopulaties.

De resultaten laten zien dat honingbijkasten vooral lokaal effect hebben: ze verhogen het aantal honingbijen in het perceel, maar veroorzaken geen duidelijke veranderingen in omliggende landbouwgebieden of nabijgelegen natuur. Dit laat zien dat een beperkte plaatsing van honingbijkasten voor boekweitbestuiving geen wezenlijke effecten heeft op de wilde bestuivers.

Voor wilde bestuivers zijn de uitkomsten juist positief. Op percelen waar al meerdere jaren boekweit wordt geteeld, werden er meer hommels in het gewas aangetroffen. In de omgeving nam het aantal bestuivers zelfs toe tot twee à drie keer zoveel als op locaties zonder deze teelt. Opvallend is dat dit effect al zichtbaar was vlak voor de bloei, wat erop wijst dat populaties zich in de loop der jaren opbouwen.

Tegelijkertijd onderstrepen de resultaten dat boekweit geen op zichzelf staande oplossing is. Net als andere bloeiende gewassen levert het vooral tijdelijk voedsel. Het grootste effect ontstaat wanneer deze teelt wordt gecombineerd met andere maatregelen, zoals bloemstroken, hagen en keverbanken, als onderdeel van een bredere natuurinclusieve aanpak.

Voor boeren en beleidsmakers betekent dit dat bloeiende gewassen vooral effectief zijn als onderdeel van een bredere aanpak, waarin voedsel, nestgelegenheid en continuïteit samenkomen.

Meer informatie

  • Dit onderzoek is uitgevoerd door Wageningen University & Research in samenwerking met boekweittelers, de Boekweitcoöperatie, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, Land van Ons en het Drentse Landschap, binnen het onderzoeksprogramma Kennisimpuls Bestuivers vanuit het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.

De volledige rapporten

Tekst: Wageningen Environmental Research
Beeld: Gabriella Bishop (steenhommel bij bloeiende lupine); Thijs Fijen