Bedelende vogeljongen in de zomer
Vogelbescherming NederlandHet is hoogzomer en het zal iedereen zijn opgevallen: de vogelzang is verstomd. Voor de meeste vogels is de voortplantingstijd voorbij. Alleen vroeg in de ochtend hoor je misschien nog een merel of winterkoning zingen. Het is stiller buiten, maar zeker niet helemaal stil. Voor wie er oor voor heeft, valt er nog genoeg te beluisteren en te leren. Want juist nu zwerven jonge, naar voedsel bedelende vogels rond, meestal begeleid door de oudervogels. De jongen moeten de kritieke fase overbruggen tussen uitvliegen en zelfstandig worden, waarin ze moeten leren om zelf hun voedsel te vinden.
Onopvallend verenpak
Het uiterlijk van jonge vogels verschilt van de volwassen vogels. Het duidelijkst is dat misschien wel bij grote meeuwen, zoals zilvermeeuwen: hun jongen zijn geheel bruin getekend. We noemen dat het juveniele kleed. Pas na vier jaar zijn ze volwassen.
Ook het verenkleed van jonge meerkoeten, futen en roodborsten, om maar een paar soorten te noemen, ziet er totaal anders uit. Het heeft een duidelijke functie. Het kleed is minder opvallend en beter gecamoufleerd. En dus veiliger voor roofdieren. Ook vermindert het agressief gedrag van volwassen vogels naar de jonge vogels.
Onderdanig gedrag
Het bedelgedrag van de jonge vogels, dat zich vaak kenmerkt door onderdanig gedrag met opengesperde snavels, zorgt er, samen met de bedelgeluiden, voor dat de oudervogels willen zorgen voor de jongen, willen voeren. Het zijn belangrijke, externe prikkels waar de ouders gevoelig voor zijn door hormonale veranderingen na het uitkomen van de eieren.
Met dit bedelgedrag wordt het voortplantingssucces vergroot. Maar voeren kost ook inspanning, die niet ten koste mag gaan van de eigen overlevingskansen. Dus na een bepaalde periode is het welletjes. Tijd voor het jong om op eigen kracht verder te gaan.
Krijsen, piepen en klagen
Om bij de jonge meeuwen te beginnen: juveniele zilvermeeuwen en kleine mantelmeeuwen blijven na het verlaten van de kolonie hun ouders nog enige tijd volgen. Ze benaderen hun ouders met hun nek ingetrokken en de kop omlaag, terwijl ze piepend roepen. Tot in de herfst blijven hongerige jongen het tevergeefs proberen bij de volwassen meeuwen, die na het verlaten van de nestplaats al snel niet meer thuis geven.
Op het strand kun je nog grote sterns tegenkomen. De volwassen vogels communiceren met hun jongen met een rauwe krassende roep, de jonge grote sterns bedelen met hoge piepgeluiden. De ouders herkennen hun jongen al in de kolonie, en andersom ook. Omdat het lang duurt voor de jonge sterns volleerde vissers zijn, blijven de ouders hun jongen lang voeren, soms tot in het overwinteringsgebied in Afrika.

Doordringende geluiden
Ook roofvogels en uilen voeren hun jongen nog lang door, tot vele weken na het uitvliegen. Jonge buizerds en jonge boomvalken zijn luidruchtig, en vooral het geluid van de buizerd kun je op veel plekken in ons land horen.
Een van de opvallendste bedelroepen is die van de jonge ransuil. Als takkelingen zitten de uilskuikens aanvankelijk nog in de buurt van het nest en is het klagende geluid nog hoog en vrij zwak. Naarmate de jonge uilen groter worden en ze gaan uitzwerven wordt de roep luider en doordringender. Je kunt ze dan ’s nachts ver van de oorspronkelijke nestplaats tegenkomen.
In sloot en plas zwemmen her en der nog steeds futen rond met hun jongen. Het piepen van de jonge futen in hun pyjamakleed is opvallend, dat steeds luider wordt naarmate ze opgroeien. Elke ouder heeft een of meer jongen onder zijn hoede.
In rietkragen kun je tot ver in augustus nog jonge kleine karekieten horen, die nog een paar weken lang na het uitvliegen gevoerd worden door hun ouders. Het zijn de jongen van het tweede broedsel. Karekieten die één broedsel hebben gehad zijn veelal vertrokken naar Afrika. Jonge lepelaars zijn in augustus nog vaak te zien en hebben een heel kenmerkende bedelroep, dat op geen enkele andere vogel lijkt.
Langgerekter en luider
Jonge zangvogels die zijn uitgevlogen laten een andere roep horen dan toen ze nog in het nest zaten. Het is zonder uitzondering langgerekter en luider, om te zorgen dat ze gevonden worden door de ouders. Ze worden nog enige tijd gevoerd door hun ouders, tot wel vier weken na het verlaten van het nest. Je kunt dan bijvoorbeeld ineens een familie spotvogels in de tuin zien met bedelend jong, terwijl je zeker weet dat ze er niet gebroed hebben. Het bedelen van een juveniele huismus en dat van jonge vinken is niet zo opvallend voor ons, maar dat van jonge merels juist wel.
Jonge vogels zorgen er wel voor dat ze goed verscholen zitten, want hun leven is niet zonder gevaar. Het is niet voor niets dat boomvalken en sperwers hun jongen grootbrengen in de periode dat het wemelt van de jonge zangvogels.
Tot diep in de herfst zijn juveniele vogels vaak nog herkenbaar aan hun afwijkende roep, zoals bijvoorbeeld bij de tjiftjaf. In het voorjaar echter onderscheidt hun roep zich niet meer van de ouders en begint bij veel kortlevende vogelsoorten, zangvogels vooral, het broedseizoen. De cirkel is rond.
Tekst: Vogelbescherming Nederland
Beeld: Ruud van Beusekom (leadfoto: huismus (Passer domesticus))
