Helpt de bever tegen droogte?
StaatsbosbeheerStaatsbosbeheer-ecoloog Judith Bosman neemt de Drentsche Aa als voorbeeld. In dat beekdal leven inmiddels zo’n honderdvijftig bevers. Bevers trekken steeds verder het beekdal in, ook naar de stroomopwaarts gelegen delen waar het water zomers regelmatig verdwijnt. En daar doen ze soms iets opvallends: ze houden het water vast.
Een beverdam is in feite een natuurlijke stuw. Met takken, stammen, waterplanten en bagger bouwt de bever in een paar dagen een dam die het stromende water tegenhoudt. Achter de dam ontstaat een poel of klein meer. Zo stroomt het water minder snel weg en blijft het langer in het gebied. “De bever maakt zo zijn eigen waterreservoir”, zegt Judith. “Groot genoeg om gemakkelijk en veilig via het water bij zijn eten te komen. En daar profiteren veel planten en dieren van. Een droge beek verandert achter een dam in een nat gebied met waterplanten, insecten en andere dieren.”

Van afvoeren naar vasthouden
De bever doet eigenlijk iets waar wij mensen steeds meer het belang van inzien: water langer vasthouden. Nederland is vanaf halverwege vorige eeuw ingericht om overtollig water zo snel mogelijk af te voeren. Doordat we steeds vaker met langdurige perioden van droogte te maken hebben, wordt het juist belangrijker voldoende water vast te houden.
“Wat dat betreft kunnen we van de bever leren”, zegt Judith. “Maar beverdammen lossen het droogteprobleem natuurlijk niet op. Water komt op verschillende manieren in de Drentsche Aa terecht. Regenwater stroomt rechtstreeks in de beek, maar ook via sloten uit de omgeving. Daarnaast is er grondwater in de bovenste grondlagen dat relatief snel naar de beek stroomt. En dan is er nog kwelwater: water dat in de diepere grondlagen soms duizenden jaren onderweg is geweest voordat het in de Drentsche Aa terechtkomt. Die verschillende waterstromen reageren ieder anders op droogte. Regenwater reageert natuurlijk snel: valt er weinig regen, dan daalt de hoeveelheid water in de beek, en omgekeerd. Maar de verschillende grondwaterstromen reageren trager op droogte. Dat effect kan jaren later nog merkbaar zijn. De stroomopwaarts gelegen delen – de bovenlopen – van de Drentsche Aa vallen vrijwel iedere zomer droog. Maar we zien dat dat in droge zomers de beek veel verder stroomafwaarts droogvalt.”

Eigen territorium
En daar kan de bever helpen. Bevers hebben een eigen territorium nodig. De delen van de Drentsche Aa waar altijd voldoende water is, zijn al bezet. Bevers wijken dus vaker uit naar delen die zomers droog komen te liggen. En daar proberen ze wat aan te doen door een dam te bouwen en het water vast te houden. “Een prima manier om het water in het gebied te houden.”
Blauwgrasland
Dat betekent niet dat we bevers overal hun gang kunnen laten gaan. Een beekdal dat natter wordt, heeft gevolgen, soms zelfs voor natuur die we juist willen beschermen. “Een voorbeeld is blauwgrasland. Dat is een zeldzaam en waardevol type natuur dat afhankelijk is van specifieke omstandigheden. Als een bever een gebied langdurig natter maakt, kan blauwgrasland veranderen in moeras. Daarmee kunnen soorten verdwijnen die juist bij het open, vochtige grasland horen, zoals de dotterbloem. Een beverdam kan ook de trek van vissen, zoals de rivierprik, hinderen. Daarom wordt soms ingegrepen, bijvoorbeeld in het voorjaar wanneer de rivierprik stroomopwaarts trekt. In de zomer, als die trek voorbij is, vinden we het prima dat bevers dammen bouwen die het water vasthouden.”
Weinig plekken
Landelijk gezien is het gunstige effect van de bever op droogte beperkt. Judith: “Er zijn in Nederland weinig beekdalen waar het water onbelemmerd het landschap in mag stromen. Op veel plaatsen is bebouwing of ligt agrarisch gebied. Een natter beekdal is dan simpelweg niet verenigbaar met het huidige gebruik. Maar daar waar de bever wel zijn gang kan gaan, is het interessant te ontdekken wat er in die omgeving gebeurt.”
Tekst: Staatsbosbeheer
Beeld: Staatsbosbeheer; Thijmen van Heerde
