Werkgroep Kleine Marterachtigen zoekt ook in 2027 samenwerking met TBO's voor bescherming kleine marters
Zoogdierbescherming NederlandVerandering begint met informatie verzamelen over de soorten. Dit doet de werkgroep door in samenwerking met terreinbeherende organisaties (TBO's) onderzoek te doen en vervolgens beschermingsmaatregelen te nemen. Dit jaar is de Werkgroep Kleine Marterachtigen (WKM) op de jaarlijkse vrijwilligersdag met bijna vijftig vrijwilligers van start gegaan met onderzoek met wildcamera's en habitatbeoordelingen samen met diverse grondeigenaren.
De drie V’s
Kleine marters zijn inderdaad klein en ze zijn meesters in zichzelf verstoppen. Hoe zien ze er dan uit? De marters hebben alle drie unieke kenmerken: zo is de bunzing te herkennen aan zijn gezichtsmasker en wit omrande oortjes. Op het menu van de bunzing staat onder meer konijn. Ook die populaties zijn de afgelopen decennia flink teruggelopen.
De wezel is de kleinste marterachtige en zelfs het kleinste roofdier van Europa. Een mannetje is zo’n 20 centimeter. Een vrouwtje nog iets kleiner. Dit is te vergelijken met de lengte van een muismat. Ze hebben een bruine vacht op de rug en de flanken, terwijl de onderkant wit of roomwit is. Het voedsel van de wezel bestaat hoofdzakelijk uit (woel)muizen.


De hermelijn is iets groter, de staart is langer, dichtbehaard en heeft een zwarte punt. Dit is het enige zoogdier in Nederland waarvan de vacht, op de staartpunt na, in de winter geheel of gedeeltelijk wit wordt (niet bij allemaal). Deze kleine marter jaagt vooral op woelmuizen, ratten en konijnen.


Kleine marters worden niet vaak gezien, en dat is misschien ook wel deel van het probleem. Veel roofdieren, denk aan dassen en otters, kunnen eenvoudig worden gevolgd met wildcamera’s, DNA-onderzoek of door losse waarnemingen. Dat geldt niet voor de kleine marters. In het verleden kwamen deze soorten in grote delen van het land voor, maar het lijkt erop dat ze de afgelopen decennia sterk in aantal zijn teruggelopen. Lijkt, want het is lastig om met ‘harde cijfers’ te komen. Wat we wel weten is dat kleine marterachtigen de drie V’s nodig hebben, zoals door BIJ12 omschreven: voedsel, verbindingen en verblijfplaatsen. Vooral de twee laatste V’s zijn een probleem, want hun leefgebieden raken steeds verder versnipperd, schuilplaatsen verdwijnen en de kwaliteit van het leefgebied gaat achteruit. In kale gebieden is minder voedsel te vinden en kunnen de kleine marters ook niet schuilen voor vijanden.
Waarom zou je kleine marters beschermen?
Los van het feit dat deze prachtige inheemse zoogdiertjes al heel lang voorkomen in Nederland en simpelweg recht van bestaan hebben, zijn roofdieren ook nog eens heel nuttig. Ze houden populaties muizen, woelmuizen, ratten en woelratten op natuurlijke wijze onder controle. Bovendien worden ze gezien als indicatorsoort: als een kleine marter in een gebied voorkomt dan is dat een teken dat dit gebied (relatief) gezond is. Maar dan moet je wel weten waar ze voorkomen.

Habitatbeoordeling in drie gebieden
De vrijwilligers van de Werkgroep Kleine Marterachtigen leveren een belangrijke bijdrage aan natuurbescherming. Ze hebben dit jaar drie gebieden geselecteerd waar het habitat voor de kleine marters wordt beoordeeld. Haarzuilens, in de provincie Utrecht, is een van de drie gebieden die de werkgroep beoordeelt op geschiktheid voor de bunzing, wezel en hermelijn. De twee andere gebieden zijn de Kaaistoep, een natuurgebied vlakbij Tilburg, en de derde is in de buurt van Zwolle.
Eind vorige maand hebben vrijwilligers een van de vier transecten in Haarzuilens gelopen. Ze zagen een opvallende hoeveelheid muizenholen, op soms amper tien centimeter van elkaar. Voor de wezel zijn dit ook belangrijke verblijfplaatsen. Ook hebben ze uitwerpselen van marterachtigen aangetroffen. Op basis van de grootte is de kans aannemelijk dat hier ook kleine marters zitten. De komende tijd worden de andere drie transecten gelopen en dan in het begin van de winter nog een keer. Hetzelfde gebeurt in de andere twee gebieden. De resultaten en adviezen worden eind dit jaar aangeboden aan de terreineigenaren.
Door kennis op te doen, te delen en adviezen te geven draagt de werkgroep bij aan betere bescherming van kleine marterachtigen. Het Kennisdocument van BIJ12 (zie onderaan) vormt een belangrijke basis waar de vrijwilligers op letten tijdens het lopen van het transect. Daarnaast hebben ze eerder dit jaar een training gehad over het uitvoeren van een habitatbeoordeling voor kleine marters.

Projecten in 2027
Sinds 2024, het jaar van de hermelijn, is de WKM met een steeds groter groeiende groep vrijwilligers actief met het veldonderzoek, habitatverbetering en natuureducatie. Zij zoeken daarbij de samenwerking met andere vrijwilligersgroepen, gemeenten en TBO's om de verspreiding van de soorten beter in kaart te brengen in stedelijk gebied, het buitengebied, natuurgebieden en landgoederen. Ook bekijkt de werkgroep waar winst te behalen is in het verbeteren van het leefgebied van de kleine marters. De WKM zoekt voor 2027 nog onderzoeklocaties waar ook winst te behalen is voor de drie V's.
Wil jij als gemeente, TBO of vrijwilliger ook een bijdrage leveren aan de bescherming van onze kleinste roofdieren? Stuur dan een mail ter attentie van Joyce Verschoor naar wkm@zoogdierbescherming.nl.
Meer informatie
- Het Kennisdocument Kleine Marterachtigen uit 2024 van BIJ12 (pdf: 7,7 MB).
Tekst: Nathalie van Koot in samenwerking met Joyce Verschoor en Kay Eshuis
Beeld: Sabine Bos (leadfoto links: wezel); A.R. Balk (leadfoto rechts: bunzing); Zoogdierbescherming Nederland; Werkgroep Kleine Marterachtigen (WKM); Jeffrey Peereboom
