Meer blauwe breedscheenjuffers door warmte
De Vlinderstichting
De blauwe breedscheenjuffer is een buitenbeentje onder de Nederlandse libellen. Er is in ons land maar één soort uit dit genus (Platycnemis). Dat maakt herkenning gemakkelijk. Met zijn bleekblauwe kleur en brede schenen is deze soort goed te onderscheiden van al die andere 'blauwe juffertjes'. In het buitenland (Frankrijk/Spanje) moet je overigens beter opletten: daar kunnen meerdere soorten breedscheenjuffers door elkaar vliegen die allemaal op elkaar lijken. Het typische leefgebied van de blauwe breedscheenjuffer bestaat uit beekjes en kanalen en andere (zwak) stromende wateren. De larven van de blauwe breedscheenjuffer hebben namelijk water met relatief veel zuurstof nodig, en stromende wateren zijn doorgaans zuurstofrijker dan stilstaande wateren.

Toename
In de afgelopen dertig jaar heeft de soort zich enorm uitgebreid en worden ook in het westen van het land steeds meer blauwe breedscheenjuffers gezien. In de drie westelijke provincies is de soort nog steeds erg zeldzaam, maar elders is het inmiddels een normale verschijning geworden. Ook in aantal individuen neemt de blauwe breedscheenjuffer flink toe. De aantallen zijn sinds 1998 maar liefst vervijftienvoudigd!
Van ei tot imago
Blauwe breedscheenjuffers vliegen graag een eindje bij het water vandaan tussen de vegetatie. Daar jagen, overnachten en paren ze. Wanneer de eitjes bevrucht zijn, vliegt het paartje naar de waterkant. De eitjes worden afgezet op waterplanten of in het water liggende takken. Het liefst gebruikt het vrouwtje daarbij de zachte, ondergedoken delen van levende waterplanten, zoals gele plomp. Tijdens het leggen van de eitjes kruipt ze daarvoor gerust helemaal onder water. Het mannetje blijft haar ondertussen vasthouden om haar te beschermen tegen andere mannetjes, maar ook om er zeker van te zijn dat ze er niet met een ander vandoor gaat.
De ontwikkeling van de eitjes is sterk afhankelijk van de watertemperatuur: hoe warmer het water, hoe sneller het gaat. Datzelfde geldt voor de larven. Vroeger overwinterden de meeste larven twee keer, maar met de zachte winters en warme zomers van tegenwoordig vermoeden we dat de ontwikkeling nu meestal maar één jaar duurt.

Warm water
In de Libellentuintelling van juni dit jaar viel op dat er relatief veel blauwe breedscheenjuffers werden gezien. Ook in het Landelijk Meetprogramma Libellen worden dit jaar extreem veel van deze juffertjes gezien. Waarschijnlijk heeft dit te maken met de relatief hoge watertemperaturen. Het voorjaar van 2026 kwam, volgens de metingen van het KNMI, in de top 5 van warmste lentes sinds 1901. Ook de afgelopen winter was gemiddeld zacht, ondanks de koude januarimaand. Door de hoge temperaturen is de ontwikkelingstijd veel sneller dan normaal, en daardoor de kans op overleving hoger.
Een eitje dat twee maanden op een plant zit, heeft meer kans om opgegeten of aangetast te worden dan een eitje dat in twee weken al uitkomt. Hetzelfde geldt voor de larven: het maakt nogal uit of je één winter moet zien te overleven of twee. De blauwe breedscheenjuffer profiteert dus als geen ander van klimaatverandering. Vooral recent zien we dat heel sterk. In bovenstaande grafiek met de populatietrend zien we dat in de jaren 2024 en 2025 ongeveer twee keer zoveel individuen werden geteld als in de jaren daarvoor. En in 2026 zal het stipje waarschijnlijk nog weer hoger liggen, maar dat weten we pas echt zeker als volgend jaar de Vlinderbalans verschijnt.
Dit bericht is eerder verschenen in het tijdschrift ‘Vlinders’, het kwartaalmagazine van De Vlinderstichting.
Tekst: Gerdien Bos, De Vlinderstichting; Bram Borkent, Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)
Beeld: Kars Veling; Annika Vermaat; Henk Baptist, Saxifraga; Netwerk Ecologische Monitoring (NEM); Christophe Brochard
