Lymantrichneumon disparis

Sluipwespen in winterslaap: nieuw overzicht voor West-Europa

Aculea, wilde bijen- en wespenwerkgroep van Natuurpunt, EIS Kenniscentrum Insecten
30-JAN-2026 - Voor het eerst is er een volledig en kritisch geëvalueerd overzicht verschenen van alle sluipwespsoorten in West-Europa die de winter als volwassen insect doorkomen. Het gaat om een indrukwekkende bundeling van publicaties en waarnemingen, van het einde van de 18e eeuw tot vandaag. In totaal worden 29 soorten voor het eerst officieel erkend als overwinteraars.

Sluipwespen (familie Ichneumonidae) vormen een zeer soortenrijke groep parasitaire wespen, waarvan de larven zich ontwikkelen in of op andere insecten, meestal nachtvlinders. Net als bij hommels, hoornaars en sociale wespen overwinteren bij sommige soorten de bevruchte vrouwtjes als volwassen dier.

De afgelopen jaren kregen deze zogenoemde ‘winterwespen’ steeds meer aandacht, maar een compleet en kritisch overzicht ontbrak tot nu toe. Met deze nieuwe publicatie is er voor het eerst een samenhangende checklist die alle bekende overwinterende sluipwespen in Europa evalueert.

Loofbomen met een dikke humuslaag zoals eiken zijn bijzonder interessant voor overwinterende insecten

De juiste plek is cruciaal

Uit het onderzoek blijkt dat naar schatting zo’n 340 soorten sluipwespen in West-Europa als volwassen dier overwinteren. Dat is ongeveer 5 procent van alle bekende soorten, al ligt het werkelijke aantal waarschijnlijk hoger. Voor sommige groepen wordt vermoed dat overwintering zelfs een verplicht onderdeel van de levenscyclus uitmaakt, al is dat nog niet voor alle soorten aangetoond.

Een belangrijk inzicht is dat overwintering niet betrouwbaar kan worden vastgesteld op basis van waarnemingsdata alleen. Sommige soorten zijn het hele jaar door actief, of profiteren van door mensen gecreëerde omstandigheden zoals verwarmde gebouwen. Daarom richten de onderzoekers zich vooral op waarnemingen in echte overwinteringsplaatsen (hibernacula), zoals holle bomen, grotten, wortelkluiten, kelders en dichte vegetatie.

Eén enkele overwinteringsplek kan tientallen tot zelfs honderden sluipwespen herbergen. Het behoud van zulke microhabitats blijkt dan ook essentieel binnen natuurbeheer, vooral in kleinere of versnipperde natuurgebieden.

Burgerwetenschap maakt het verschil

Voor dit overzicht zijn duizenden waarnemingen kritisch nagekeken. Die waren afkomstig uit vier hoofdbronnen: wetenschappelijke literatuur (44%), online burgerwetenschapsplatformen (34%), museale en private collecties (3%) en ongepubliceerde gegevens van de auteurs zelf (19%).

Met name recente veldwaarnemingen, verzameld door onderzoekers én door actieve burgerwetenschappers, hebben het beeld sterk verrijkt. Online platforms spelen hierbij een sleutelrol: alleen al via deze kanalen werden honderdduizenden waarnemingen gescreend en gevalideerd.

Opvallend is de sterke vertegenwoordiging van Noordwest-Europa in de dataset. Nederland en België behoren tot de landen met de hoogste aantallen bruikbare waarnemingen, samen met Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië. Dat benadrukt het belang van goed georganiseerde burgerwetenschap in deze regio.

Ook in grotten vindt men soms overwinterende sluipwespen zoals Amblyteles armatorius

Elke winter nieuwe ontdekkingen

Ook vandaag blijven overwinterende sluipwespen onderzoekers en natuurliefhebbers verrassen. Elke winter worden nieuwe vondsten gedaan: soms blijkt een bekende soort voor het eerst te overwinteren, soms gaat het om een nieuwe soort voor een land. Nabij Valkenburg bijvoorbeeld werd vorig jaar nog Ichneumon languidus voor het eerst aangetroffen, de parasiet van de Bonte beer.

Waar in 2022 nog werd uitgegaan van ongeveer vijftig overwinterende soorten in Nederland en België, ligt dat aantal inmiddels rond de 75 soorten per land. Vooral grotere en opvallende soorten worden relatief vaak ontdekt, maar ook minder in het oog springende soorten blijken regelmatig te overwinteren.

Hoewel grotere landen met uiteenlopende landschappen waarschijnlijk altijd meer soorten zullen herbergen, is één conclusie duidelijk: wie in de winter goed kijkt – in schuren, grotten, bosranden of andere beschutte plekken – ontdekt een verborgen wereld van insecten die lange tijd over het hoofd is gezien.

Het onderzoek is tot stand gekomen dankzij een intensieve samenwerking tussen specialisten en waarnemers uit meerdere West-Europese landen. Vooral Nederland en België leveren een belangrijke bijdrage aan dit type ecologisch onderzoek.

Meer informatie

Tekst: Fons Verheyde (VLIZ, Aculea, vrijwilliger bij het KBIN) & Augustijn De Ketelaere (Aculea, vrijwilliger bij het KBIN)
Beeld: Patrick Debeuf (leadfoto: Lymantrichneumon disparis); Fons Verheyde; Willem Vergoossen