Zeldzame Bosgeelster veiliggesteld voor de toekomst
FLORON, LandschappenNL, Radboud Universiteit, Wageningen Environmental Research, Wageningen University & ResearchIn het programma Zorgen voor de Natuur van Morgen (onderdeel van Het Levend Archief) werkt Wageningen Environmental Research samen met FLORON, LandschappenNL en Radboud Universiteit aan de borging van de meest bedreigde plantensoorten van Nederland. Daarbij gaat er bijzondere aandacht uit naar 12 'icoonsoorten' van de provinciale landschappen: bijzondere plantensoorten die een speciale binding hebben met de provincie.
Voor Landschap Noord-Holland is dat de Bosgeelster. Samen met de gemeente Haarlem en Spaarnelanden probeert Landschap Noord-Holland de oude groeiplaatsen van geelsterren te behouden en herstellen. Dit gebeurt in samenwerking met Het Levend Archief, een genenbank met inheemse zaden van wilde planten die te gebruiken zijn voor natuurherstel en onderzoek.
Stinzenplant met een bijzonder verhaal
Geelsterren worden vaak tot de stinzenflora gerekend. Dat zijn planten die in hun verspreiding beperkt zijn tot terreinen die behoord hebben bij staten, hofsteden, oude boerderijen, landgoederen en dergelijke. Daarbij wordt in het midden gelaten of soorten wel of niet uitgeplant zijn.
Het traditionele stinzenmilieu waar stinzenplanten worden aangetroffen, zoals rondom oude landhuizen of op buitenplaatsen, heeft een natuurlijke tegenhanger in de hellingbossen. In het stinzenmilieu is de bodem sterk vergraven, is er vaak kunstmatig reliëf en zijn er bepaalde beheersvormen, zoals maaien en afharken, die zorgen voor een geschikt stinzenmilieu. Dit type milieu, waarin veel ‘getuinierd’ wordt, komt vaak sterk overeen met de natuurlijke groeiplaats van de soort.

In Noord-Holland zijn de geelsterren ook sterk gebonden aan de binnenduinrand met haar landgoederen, oude stadsparken en begraafplaatsen. Maar of de geelsterren in Noord-Holland ook daadwerkelijk stinzenplanten zijn of zich juist kunnen handhaven in het stinzenmilieu, daar zijn de meningen over verdeeld.
Uniek aan de Bosgeelster is dat ze naast broedbollen ook zaden aanmaakt. Bij andere geelsterren komt dit, in Nederland, nauwelijks voor. Deze zaden zijn te gebruiken om planten te vermeerderen en groeiplaatsen te herstellen. De regio Haarlem is een belangrijk kerngebied als het gaat om het herstel van geschikte groeiplaatsen. Denk aan het opnieuw inrichten van stinzenvakken en het verbeteren van bodem- en lichtomstandigheden, zodat de Bosgeelster zich daar weer zelfstandig kan vermeerderen. Hiervoor worden zaden en broedbollen verzameld en vervolgens opgekweekt of direct uitgezaaid op geschikte locaties.
Zaden oogsten
In 2024 is er kleinschalig begonnen met het oogsten van zaaddozen, in samenwerking met de gemeente Haarlem en Spaarnelanden. De gewonnen zaden worden momenteel opgekweekt in de Hortus van Alkmaar. Een deel is ondergebracht in de Nationale Zadencollectie van Het Levend Archief in Nijmegen en Wageningen.
Van deze zaden kwam in 2025 bijna 47 procent op. Een ontzettend hoog percentage, want er wordt vaak uitgegaan van gemiddeld 10 procent van geoogst zaad wat opkomt. In 2025 zijn weer zaden geoogst die rechtstreeks op nieuwe locaties in het veld zijn uitgestrooid. Wat daarvan opkomt, moet dit voorjaar blijken.
Het moment van zaden oogsten luistert ontzettend nauw. Ben je te vroeg, dan zijn de zaaddozen nog niet rijp en zit er weinig zaad in (in 2025: 1,4 zaden per zaaddoos eind maart). Oogst je later, dan vind je minder zaaddozen tussen de beplanting, maar zitten er wel meer zaden in (in 2025: 10,2 zaden per zaaddoos begin april en 12,9 zaden per zaaddoos half april). Ook zijn er grote verschillen tussen de jaren. In koude jaren is het zaad pas eind april rijp, terwijl in een warm voorjaar het zaad begin april al rijp is. Uit een steekproef bleek dat in 2025 de zaden gemiddeld 2,36 millimeter groot waren.

Broedbollen
Naast zaden maken Bosgeelsterren dus ook broedbollen aan. In 2025 droegen er vier daarvan in totaal 219 broedbollen, gemiddeld 36,5 per plant. Dit aantal lijkt hoog, maar er is geen vergelijkingsmateriaal. De meeste broedbollen (212) waren klein, tussen de 3,5 tot 4 millimeter. Slechts enkele (7) waren groter, namelijk 4 tot 10 millimeter. Deze broedbollen zijn geplant bij de Hortus Alkmaar.
In 2025 kwam 42 procent van het totaal op. De opkomst van de grote broedbollen was zelfs 100 procent, terwijl van de kleinere broedbollen 40 procent opkwam. De kleine bollen groeiden nauwelijks in één jaar tijd. De grotere bollen namen gemiddeld 2 tot 3 millimeter in grootte toe en een enkele kwam zelfs tot bloei. De grootste broedbollen zijn in 2025 uitgeplant op een nieuwe groeilocatie. Monitoring dit jaar moet uitwijzen of de planten aanslaan.
Zeldzame Weidegeelster ontdekt
Tijdens het oogsten van het zaad van Bosgeelster werden in de gemeente Haarlem ook Weidegeelsterren (Gagea pratensis) ontdekt die zaad zetten. Van de Weidegeelster is zaadzetting in Nederland erg zeldzaam. In 2025 zijn er 14 zaaddozen van weidegeelster geoogst met daarin 52 zaden (4 zaden per zaaddoos) en dit voorjaar bleek dat ook die zaden kiemkrachtig zijn.
Toekomst
In de komende jaren worden er meer zaden van geelsterren verzameld om de genetische diversiteit te borgen in de Nationale Zadencollectie. Er wordt onderzocht hoe het gaat met de zaden en broedbollen die zijn uitgeplant. Daarnaast worden (oude) groeiplaatsen verder hersteld en wordt het beheer nog beter afgestemd op de geelsterren. Met veel dank voor de plezierige samenwerking met de gemeente Haarlem, Spaarnelanden en de Hortus Alkmaar.
Meer informatie
- Lees meer op Steun in de rug voor de inheemse Bosgeelster! - Landschap Noord-Holland en Het levend Archief - Zadenbank voor inheemse plantensoorten, of neem contact op met Ineke Wynia (i.wynia@natuurlijkezaken.nl).
- Neem voor meer informatie over het programma Zorgen voor de Natuur van Morgen contact op met Nils van Rooijen (nils.vanrooijen@wur.nl) of Sascha van der Meer (meer@floron.nl).
Tekst: Landschap Noord-Holland; Wageningen Environmental Research
Beeld: Nils van Rooijen (bosgeelsterren, zaad bosgeelster)
