Moerasparelmoervlinder - primair

Europese graslandvlinderindex: verdere achteruitgang

De Vlinderstichting
12-FEB-2026 - In de Europese Natuurherstelwet is de graslandvlinderindex (GBI) een van de drie indicatoren die lidstaten kunnen gebruiken om hun beleid voor landbouwecosystemen te evalueren. Deze GBI moet toenemen. Vlinders worden al tientallen jaren systematisch gemonitord in Europa, met standaardprotocollen die inmiddels in meer dan dertig landen worden toegepast. Met deze data is de index bijgewerkt.

Voor de analyse zijn gegevens van 16.150 vlindertransecten, verdeeld over heel Europa, samengebracht in de eBMS (European Butterfly Monitoring Scheme) database, die beheerd wordt door Butterfly Conservation Europe (BCE en UKCEH). Met deze database worden trends voor individuele soorten, gecombineerd. In een recent rapport zijn trends voor de 17 dagvlindersoorten van de indicator gebruikt om de Grassland Butterfly Index (GBI) te updaten voor 1991 tot 2024, op basis van gegevens uit alle 27 EU-landen. De GBI wordt expliciet genoemd in de EU Natuurherstel Verordening (NHV) in artikel 11 over het herstel van landbouwecosystemen als een van de drie indicatoren die de lidstaten kunnen kiezen om te monitoren. Lidstaten die de GBI als een van hun indicatoren kiezen, moeten op nationaal niveau een stijgende trend realiseren totdat bevredigende niveaus zijn bereikt. Wat die niveaus zijn, moet nog worden vastgesteld.

De gebruikte dagvlindermonitoringroutes in Europa en de tot en met 2024 bijgewerkte graslandvlinderindex

Mogelijke oorzaken van daling

De EU-graslandvlinderindex laat sinds 1991 een daling van 47 procent zien. In Noordwest-Europa wordt de daling voornamelijk toegeschreven aan habitatverlies als gevolg van de intensivering van agrarische graslanden, stikstofdepositie en pesticiden in natuurgebieden. In Noord-Europa (Scandinavië, Finland en de Baltische staten), Oost- en Zuid-Europa en de Alpen is het in onbruik raken van graslanden ook een belangrijke factor, aangezien de opslag van struiken en de verbossing leiden tot een nettoverlies aan leefgebied voor graslandvlinders. De daling die de afgelopen 34 jaar is waargenomen, geeft waarschijnlijk slechts een deel van de historische achteruitgang van graslandvlinders weer, aangezien veel populaties al vóór 1990 uit het landschap zijn verdwenen.

Wijdverbreide soorten die worden meegenomen in de Europese graslandindicator. V.l.n.r.: boven: oranjetipje, kleine vuurvlinder, icarusblauwtje, groot dikkopje, onder: bruin zandoogje, argusvlinder en hooibeestje

Specialisten die worden meegenomen in de Europese graslandindicator. V.l.n.r.: boven: adonisblauwtje, donker pimpernelblauwtje, dwergblauwtje, tijmblauwtje, klaverblauwtje, onder: bleek blauwtje, moerasparelmoervlinder, kalkgraslanddikkopje, bruin dikkopje en dwergdikkopje

Het bruin zandoogje is een veel voorkomende graslandvlinder, opgenomen in de GBI

Alarmerend tempo

Dit rapport bevat een essentiële boodschap van wetenschappers aan beleidsmakers: vlinders nemen in de hele EU nog steeds in alarmerend tempo af. Er zijn dringende maatregelen nodig om leefgebieden te beschermen en te herstellen om deze trend te keren. Niet alleen voor vlinders, maar ook voor andere wilde bestuivende insecten en hun ecosysteemdiensten. Vlinders zijn ideale biologische indicatoren: ze zijn goed gedocumenteerd, meetbaar, gevoelig voor veranderingen in het milieu, ze komen voor in een breed scala aan habitattypes, vertegenwoordigen veel andere insecten en zijn populair bij het publiek.

Meer informatie

  • Het rapport is te lezen en downloaden (pdf: 2,4 MB) op de website van Butterfly Conservation Europe.

Tekst: Chris van Swaay en Kars Veling, De Vlinderstichting
Beeld: Kars Veling (leadfoto: moerasparelmoervlinder (Euphydryas aurinia); Butterfly Conservation Europe