25-FEB-2026 - De Lentebekerzwam kent zijn oorsprong in de bergen. Het smelten van de sneeuw in bergachtige gebieden in het voorjaar was de belangrijkste trigger voor het fructificeren van deze soort – tot wat wij herkennen als paddenstoelen. Echter, de winters worden warmer door klimaatverandering. Hierdoor heeft deze prachtige soort zijn verspreiding verplaatst naar de laaglandgebieden, waaronder Nederland.

De eerste vondst en ook de beschrijving van de Lentebekerzwam (Caloscypha fulgens) stamt uit 1822. De Lentebekerzwam kan in het voorjaar worden aangetroffen, met in Nederland een piek in maart. De zwam is bekervormig, soms enigszins afgeplat en kan zo’n 6 centimeter in diameter worden. Het opvallendste kenmerk van deze soort zijn de kleuren: de binnenzijde van de beker is overwegend oranjegeel tot eigeel, de buitenzijde met contrasterende en fascinerende groene tot blauwe tinten. Tot ongeveer 1985 werd de Lentebekerzwam in sneeuwrijke bergachtige gebieden gevonden, daar waar de sneeuw juist gesmolten is. De afsmelt van de sneeuw in het voorjaar zorgt voor een constante aanvoer van vocht in de bodem, wat voor de soort essentieel is. Lange tijd werd de soort dan ook beschouwd als een die alleen in berggebieden voorkomt. Maar vanaf ongeveer 1985 verspreidt de soort zich steeds meer naar de laaglandgebieden, waarbij sneeuw niet per se een rol speelt. Het noordelijk halfrond is zijn verspreidingsgebied, waar hij op dit moment wijd verspreid voorkomt.

Lentebekerzwam

Coniferenbossen

De waarnemingen in bergachtige gebieden in Duitsland, Zwitserland, Polen, Rusland, Frankrijk, Scandinavië, Groot-Brittannië, Japan en de Verenigde Staten van de Lentebekerzwam werden gedaan in coniferenbossen met bomen als Den (Pinus), Spar (Picea) en Zilverspar (Abies). Ondanks dat naaldbossen vaak op wat zuurdere bodems voorkomen, wordt de Lentebekerzwam in de bovengenoemde gebieden juist in kalkrijke naaldbossen gevonden. In de laaglandgebieden komt de soort vooral voor in loofbossen, parken en tuinen. In het overgrote deel van de waarnemingen betreft het kalkrijke plekken, en in mindere mate kalkarme plekken.

De Lentebekerzwam wordt in verband gebracht met de aantasting van de zaden van bepaalde coniferen met negatieve gevolgen voor hun kieming. Op plekken waar eekhoorns kegels en zaden van coniferen verstoppen, wordt de soort vaak aangetroffen. In de laaglandgebieden komt de Lentebekerzwam steeds vaker voor bij verschillende loofbomen, wat het moeilijk maakt om te beoordelen op welk substraat hij groeit.

Verschijningstijd is veranderd door klimaatverandering

Voorheen was de sneeuwsmelt de belangrijkste trigger, maar in de laaglandgebieden ligt door klimaatverandering steeds minder vaak sneeuw. Een flinke hoeveelheid gestage regenval in de eerste maanden van het jaar is belangrijk voor het fructificeren – het verschijnen van de vruchtlichamen – van deze soort. Een onderzoek in Zweden door Mattias Anderson waarin hij keek naar het voorkomen van vruchtlichamen in de afgelopen 60 jaar heeft aangetoond dat de hoeveelheid neerslag verdeeld over die maanden een sleutelrol speelt in het voorkomen van veel vruchtlichamen van de Lentebekerzwam. Uit het onderzoek bleek dat meer dan 120 millimeter neerslag in de maanden januari tot april kon leiden tot een explosie van vruchtlichamen. In de jaren dat er minder neerslag viel of regen van korte duur, werden weinig tot geen vruchtlichamen gevormd.

Het klimaat verandert, en dat heeft invloed op de soort en zijn verspreiding. De gemiddelde datum waarop een vruchtlichaam is waargenomen lijkt aanzienlijk te zijn verschoven. Tussen 1960 en 1990 was dit in Zweden 15 mei, en tussen 1991 en 2020 gemiddeld 27 april. Het seizoen is ook korter geworden, waarschijnlijk beïnvloed door hogere temperaturen in het voorjaar.  Door de hogere temperaturen vindt de afsmelt van sneeuw steeds sneller plaats, waardoor de bodem daarna ook sneller uitdroogt. De bodem blijft dus minder lang vochtig, wat de vorming van vruchtlichamen negatief beïnvloedt.

Lentebekerzwam

Eerste vondst in Nederland

Voor de eerste vondst in Nederland moeten we terug naar 10 april 1985 toen destijds amateurmycologen Peter Billekens en Giel Gatzen op de Groote Heide nabij Venlo de Lentebekerzwam voor het eerst zagen in Nederland. Ze groeiden in groepjes tussen grof grind vermengd met zand, verscholen tussen gras en mos onder Zomereik. Dichtbij stonden de planten Speenkruid en Scherpe boterbloem.

Sinds het jaar 2000 is de Lentebekerzwam in Nederland met een opmars bezig, maar laat een zeer grillig beeld zien waarin de soort soms jaren niet gezien wordt. De jaren 2014, 2017, 2019 en 2020 waren topjaren waarin de zwam op meerdere plekken te zien was met soms vele vruchtlichamen bij elkaar. Sinds 2022 is tot op de dag van vandaag de soort niet meer teruggevonden. In andere landen laat de soort ook een zeer grillig beeld zien waarbij in sommige jaren de soort niet te zien is. In de topjaren was de neerslag over de maanden januari tot april behoorlijk evenwichtig verdeeld, regionale verschillen daargelaten. Het geeft geen garantie, maar januari en februari van dit jaar hebben wellicht voldoende neerslag opgeleverd om de komende tijd de Lentebekerzwam te laten verschijnen. Het kan dus lonen om dit jaar de vorige vindplaatsen nog eens goed te onderzoeken.

Tekst: Ronald Morsink, PaddenstoelenonderzoekNederland
Beeld: Doriene de Jong; Koos Werther