Boeren en Natura 2000-gebieden: hoe het wél kan
StaatsbosbeheerHet Leenderbos in Noord-Brabant, een 1600 hectare groot natuurgebied, is onderdeel van een Natura 2000-gebied. Het bestaat uit bos, heide, stuifzandgebieden en vennen, doorsneden door beken. Het natuurgebied heeft op verschillende manieren last van teveel stikstof. Roel van Dijk, boswachter bij Staatsbosbeheer: “Het bos leidt vooral onder de door stikstof verzuurde bodem. Hierdoor zijn belangrijke mineralen als calcium en kalium steeds schaarser. Op de heide is juist het vermestende effect van stikstof een probleem, hierdoor wordt het te snel overwoekerd door grassen en dreigt heide te verdwijnen. Ook het stuifzand heeft last van dat effect. Het verstuivende zand is essentieel voor veel soorten planten. Maar door teveel stikstof groeien bepaalde mossen en algen te hard. Dat legt het zand vast, zodat het niet meer verstuift.”

Natuurinclusieve landbouw
Minder stikstofneerslag is dus om meerdere redenen heel hard nodig. Maar dat betekent niet dat er minder ruimte is voor boeren rondom natuurgebieden. Wel dat het voor de natuur nodig is dat ze op een andere manier gaan boeren. Daar zijn Dirk en Melanie Tegenbosch met hun melkveehouderij in Valkenswaard mee aan de slag gegaan. Hun grond ligt aan het Leenderbos. Vanuit hun keuken zie je het bos in de verte liggen. Sinds 2016 is Dirk mede-eigenaar in het bedrijf dat zijn ouders zijn gestart. En vanaf 2021 is het koppel een andere richting ingeslagen, steeds meer richting biologisch boeren. Op 6 juli tekenden zij een samenwerking met Staatsbosbeheer voor natuurinclusieve landbouw, ze zijn daarmee het 75e bedrijf waarmee Staatsbosbeheer samenwerkt. In zo’n samenwerking mag een boer meer land van Staatsbosbeheer pachten, want voor natuurinclusief boeren heb je meer grond per koe nodig. Tegelijkertijd gebruikt Dirk op eigen terrein geen kunstmest en bestrijdingsmiddelen meer, maait hij later en zorgt voor meer natuur op eigen grond.
''We hebben dit soort boeren juist nodig in de gebieden rondom de natuur.''
Staatsbosbeheer-boswachter Roel van Dijk
Rustiger koeien dankzij potstal
Het begon allemaal toen Dirk een potstal bouwde voor de koeien die niet worden gemolken omdat ze bijna gaan kalveren. In zo’n potstal hebben ze geen vaste plek, maar lopen ze vrij rond. “Ik merkte meteen hoe rustig de koeien daarvan werden”, vertelt Dirk. “Ze zochten op hun gemak hun eigen plek om te liggen en konden rekening houden met de sociale orde van de groep. Dat wilde ik voor al mijn koeien, we hebben er 85. Maar het nadeel van een potstal is dat je mest en urine niet goed van elkaar kunt scheiden. In nieuwere reguliere stallen valt dat op roosters, waarbij de urine door de gaatjes in een put onder de roosters terechtkomt en de dikke mest naar achteren wordt geschoven. Zo worden urine en mest grotendeels van elkaar gescheiden. Want juist de chemische reactie tussen mest en urine zorgt voor een deel van de stikstofuitstoot. Met een potstal voor al mijn koeien zou de stikstofuitstoot van ons bedrijf te groot zijn. Dat was voor ons eigenlijk de start om meer de biologische kant op te gaan.”
Wie op een biologische manier melkkoeien houdt, gebruikt geen kunstmest meer op het land. Omdat ook kunstmest een belangrijke veroorzaker is van teveel stikstofuitstoot, scheelt dat heel veel. Bovendien staan de koeien bij een biologische bedrijfsvoering veel in de wei en hebben ze meer ruimte tot hun beschikking. Dan komen de mest en de urine sowieso vaker op verschillende plekken terecht. Hiervoor heb je wel meer grond nodig.
Meer grasland
Toen Dirk en Melanie 5 jaar geleden in het bedrijf startten, hadden ze ongeveer 40 hectare grond. “Door verschillende uitbreidingen en de extra grond van Staatsbosbeheer zitten we nu op 85 hectare, met nog steeds zo’n 85 koeien. Dat betekent dat ik genoeg grasland heb om de koeien te laten grazen en om te maaien voor het wintervoer. Niet alleen geen kunstmest meer, maar ook geen inkoop van voer en geen afvoer van mest. Dat maaien doe ik trouwens pas na juni, zodat de insecten kunnen profiteren van de voorjaarsbloeiers en vogels veilig nesten kunnen bouwen en schuilen in het hogere gras.”
Een onderdeel van de natuurinclusieve samenwerking is ook dat 10 procent van de eigen grond als natuur wordt ingericht. Daar voldoet het bedrijf van Dirk en Melanie nog niet helemaal aan. “Daarbij kan je denken aan stroken met bomen en struiken, goed voor insecten, vogels en kleine zoogdieren, maar ook voor de koeien om aan te knabbelen. We willen nu eerst de vergunning voor onze grotere potstal rondkrijgen, zodat we een goed overzicht krijgen van de mogelijkheden voordat we daarmee aan de slag gaan. Plannen en ambitie genoeg.”
Terwijl Dirk en Melanie een rondleiding geven over hun bedrijf, zigzaggen de zwaluwen om hen heen. Melanie: “Daarvan zitten er nu een stuk meer. We zien ook regelmatig hazen wegschieten en laatst liep er een ree net achter ons bedrijf. Harstikke leuk. Het effect van samenwerken met de natuur wordt al duidelijk. Maar we doen dit vooral omdat we graag hier willen blijven. Als we niet meebewegen, wordt dat op termijn denk ik onmogelijk. We willen onze zonen de kans geven dit bedrijf voort te zetten.”

De natuur heeft dit soort boeren nodig
Ook boswachter Roel is blij met de samenwerking. “De natuur heeft dit soort boeren nodig. We hebben er niks aan als melkveehouderijen als deze verdwijnen. Dan is de kans groot dat er akkerbouw voor in de plaats komt. Dat zorgt wel voor minder stikstofuitstoot, maar leidt tot meer gebruik van bestrijdingsmiddelen. Bovendien is voor akkerbouw veel meer beregening nodig, wat de droogte in de natuur versterkt. Gevarieerd grasland heeft veel meer natuurlijke waarden. We zien nu te vaak een harde lijn tussen een natuurgebied en agrarisch land. Natuurinclusieve landbouw maakt die overgangen zachter, zodat boer en natuur elkaar versterken.”
Tekst: Staatsbosbeheer
Beeld: Staatsbosbeheer (leadfoto: Dirk en Melanie Tegenbosch met hun zoon); Janneke de Groot; Dirk Tegenbosch
