Fouragerende drieteenstrandlopers

Nieuw onderzoek laat zien: kustvogels vinden mogelijk efficiënter voedsel dan gedacht

NIOZ Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee
18-JUL-2026 - Migrerende steltlopers, zoals drieteenstrandlopers, hebben grote energiereserves nodig. Voor hen kan het snel vinden van voedsel onderweg, ook in de Waddenzee, het verschil betekenen tussen een succesvolle trektocht en een mislukte reis. Onderzoekers onderzochten de vraag hoe trekvogels hun zeer mobiele prooien steeds lokaliseren. Ondanks de dynamische omgeving is er een zekere voorspelbaarheid.

Langs de Oost-Atlantische trekroute zijn vogels afhankelijk van droogvallende wadplaten om hun energiereserves aan te vullen tijdens de trek en in de winter, maar veel van hun prooien zijn zeer mobiel. Dat rijst de vraag: hoe vinden vogels steeds opnieuw voedsel dat constant in beweging is? Om deze vraag te beantwoorden, startte Emma Penning, onderzoeker bij BirdEyes en het Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ) samen met collega's een nieuwe studie naar de voorspelbaarheid van mobiele prooien op de wadplaten van de Nederlandse Waddenzee.

Eerder onderzoek liet zien dat steltlopers herhaaldelijk kunnen terugkeren naar locaties waar ingegraven schelpdieren voorkomen, maar over prooisoorten die zich actief over de wadplaten verplaatsen was veel minder bekend. De resultaten van deze studie suggereren dat mobiele prooien veel voorspelbaarder zijn dan tot nu toe werd aangenomen, waardoor vogels in deze dynamische omgeving efficiënter voedsel kunnen zoeken.

Voedsel volgen op de wadplaten

De studie richtte zich op de wadplaten rond Griend, een klein eiland in de Nederlandse Waddenzee. Emma en haar collega's onderzochten de verspreiding van jonge bruine garnalen en strandkrabben, twee belangrijke prooisoorten voor steltlopers, zoals de drieteenstrandloper. Omdat deze kreeftachtigen zeer mobiel zijn en door getijden en stromingen kunnen worden verplaatst, verwachtten de onderzoekers dat hun aantallen en verspreiding sterk zouden variëren in de tijd.

Om te onderzoeken of mobiele prooien voorspelbaar voorkomen op de wadplaten, ontwikkelden Emma en haar collega's een innovatieve bemonsteringsmethode waarbij zij 'op afstand' monsters namen. Hierdoor konden garnalen en krabben worden bemonsterd zonder ze vooraf te verstoren. De methode werd gevalideerd met de tere dunschelp, een minder mobiele tweekleppige, waarvan werd verwacht dat de aantallen consistent zouden blijven.

Gedurende drie jaar, van 2016 tot en met 2028, voerden de onderzoekers tussen juli en oktober wekelijks veldmetingen uit rond Griend om veranderingen in de aantallen prooidieren te volgen. Hiervoor gebruikten zij de maat repeatability (R), een maatstaf die veel wordt toegepast in de gedragsecologie om de consistentie van gedrag door de tijd te bepalen. In dit onderzoek werd deze maat gebruikt om de consistentie van de aantallen prooidieren op verschillende locaties en tijdstippen te kwantificeren. Zo konden de onderzoekers vaststellen hoe betrouwbaar garnalen en krabben gedurende het seizoen op dezelfde plekken voorkwamen.

NIOZ-onderzoeker Emma Penning verzamelt monsters op het wad

Voorspelbare prooien in een dynamische omgeving

Zoals verwacht bleven de aantallen van de weinig mobiele tere dunschelp zeer stabiel. Verrassend genoeg gold hetzelfde voor jonge garnalen en strandkrabben: ook zij kwamen gedurende het seizoen steeds in consistente aantallen voor. Hoewel de totale aantallen mobiele prooidieren gedurende het seizoen afnamen, bleven de onderlinge verschillen tussen locaties gelijk – althans binnen hetzelfde jaar. Of deze ruimtelijke patronen ook tussen verschillende jaren hetzelfde blijven, maakte geen deel uit van deze studie en kon daarom niet worden vastgesteld.

De lokale aantallen op bepaalde locaties kunnen worden verklaard door stabiele voedselomstandigheden voor garnalen en krabben, bescherming tegen predatoren of constante milieuomstandigheden. Dit suggereert dat zelfs mobiele prooien herhaaldelijk gebruikmaken van gunstige leefgebieden, waardoor steltlopers kunnen terugkeren naar voedselrijke foerageerplekken.

Sneller reserves opbouwen

Steltlopers die foerageren op wadplaten hebben slechts een beperkte periode rond laagwater om voedsel te vinden en hun energiereserves aan te vullen. Deze studie laat zien dat het voedsellandschap op de wadplaten niet volledig willekeurig is: zelfs zeer mobiele prooien, zoals jonge garnalen en strandkrabben, komen ruimtelijk voorspelbaar voor. Hierdoor kunnen soorten zoals de drieteenstrandloper leren waar de meest voedselrijke gebieden zich bevinden. Dat verkort de zoektijd, verhoogt de foerageerefficiëntie en helpt de vogels voldoende energiereserves op te bouwen voor een succesvolle trek.

Voedselbeschikbaarheid draait om meer dan alleen aantallen

Voor steltlopers als drieteenstrandlopers wordt de beschikbaarheid van voedsel niet alleen bepaald door de hoeveelheid prooidieren, maar ook door de precieze locatie en de periode waarin ze beschikbaar zijn. Nieuw Waakvogelsonderzoek van Emma Penning en haar collega’s laat zien dat mobiele prooien zoals garnalen en strandkrabben gedurende een seizoen voorspelbaar aanwezig zijn op bepaalde delen van wadplaten. Dit biedt steltlopers betere foerageermogelijkheden en onderstreept het belang van het beheer van intergetijdengebieden die jaar na jaar rijke voedselbronnen blijven bieden.

Meer informatie

Tekst: Koninklijk Nederlands Instituut voor Onderzoek der Zee (NIOZ)
Beeld: Jan van der Kam (leadfoto: foeragerende drieteenstrandlopers (Calidris alba)); Jasper Doest