Gaspeldoorn brengt kleur in het vroege voorjaar
FLORONGaspeldoorn (Ulex europaeus) is een tot drie meter hoge doornstruik met een nogal ‘stekelig’ gelaat. De jaarrond groene bladen zijn priemvormig met een scherpe stekelpunt. Kenmerkend zijn de bruine punten die nauwelijks afbreken. Deze stekels zijn zowel dier- als menskerend. Ze prikken dwars door je broek en (dunne) handschoenen heen en laten al dan niet irriterende krassen op je huid achter. ‘Normale’ bladen, drietallig of eentallig van vorm, vind je alleen op kiemplanten en beschadigde delen van de struik. De dooiergele bloemen staan alleenstaand in de oksels van de bladdoorns. De bloem – een klassieke vlinderbloem – heeft twee gele, dichtbehaarde kelkbladen. Afhankelijk van de zachtheid van het najaarsweer bloeit Gaspeldoorn tussen oktober en juni, met een piek tussen maart en mei.

Kwetsbaar en taai als een fenix
Gek genoeg houdt deze winterbloeier niet van extreme kou. Ook kan ze langdurige droogte en inundatie – onder water staan – slecht verdragen. Een deel, danwel de volledige struiken, kunnen dan bovengronds afsterven en bruin kleuren. Deze kwetsbaarheid maakt dat Gaspeldoorn in Nederland ongeschikt is als veekerende struik in een heg. Ook de brandgevoelige twijgen kunnen de struik tot op de grond doen vergaan. Maar geen nood! Gaspeldoorn beschikt over een sterk wortelstelsel met voldoende reserves om in het voorjaar als een fenix te herrijzen.
Biodiversiteit in een struik

Het stekelige karakter is ideaal voor vogels en kleine zoogdieren. Zij vinden hier een veilige plek om te schuilen en te broeden. Ook maken meerdere insectensoorten dankbaar gebruik van de voedselvoorziening en schuilmogelijkheden die Gaspeldoorn biedt. Hoewel soorten als Driekleurige bremkokermot (Coleophora saturatella) en het mineervliegje Agromyza johannae op verschillende bremsoorten leven, is de zeer zeldzame Gaspeldoornkokermot (Coleophora albicosta) afhankelijk van Gaspeldoorn als waardplant.
Gaspeldoorn spotten
Gaspeldoorn is vrij zeldzaam in Nederland. Ze staat op zonnige, droge, matig voedselarme en zwak zure zandbodems. Je vindt haar in de zeeduinen en heiden, bosranden en kapvlakten op de hoge zandgronden in Midden- en Oost-Nederland en de Kempen. Een tip voor wie op de A12 of A50 over de Veluwe rijdt: op de meeste stukken open talud langs de snelweg staan Gaspeldoorns.
Oud gebruik
Met de jonge twijgen zonder doornen werd ’s winters in oude tijden (en wie weet nog steeds?) de maaltijd van vee verrijkt. In de Flora Batava (1800-1934) staat: “In Frankrijk worden de jonge Takken met hamers geplet en zyn dan een zeer goed voeder voor Paarden en Runderen: (DU HAMEL.) EDISSON in Engeland doet dit onder een steen op een molen: wanneer men dit aan de Paarden voert, raken zy noch hooi noch haver aan.” De zware takken van de brandgevoelige Gaspeldoorn werden gebruikt in de haard of gecomposteerd als bemester. De bloemen, en in mindere mate de takken, dienden als gele kleurstof.
Tekst: Leonie Tijsma en Baudewijn Odé, FLORON
Beeld: Peter Meininger, Saxifraga; Jan van der Straaten, Saxifraga; Arnold Wijker, Waarneming.nl
