Zwarte heidelibel

Waarom libellen verdwijnen uit Nederlandse vennen: zuurstofgebrek als stille boosdoener

Bosgroepen, De Vlinderstichting, Onderzoekcentrum B-WARE, Radboud Universiteit, Stichting Bargerveen, Waardenburg Ecology
11-FEB-2026 - Kenmerkende libellen uit Nederlandse vennen gaan sinds 2010 sterk achteruit. Nieuw onderzoek laat zien dat warmer en minder zuur water leidt tot zuurstoftekort in vennen. Vooral libellenlarven blijken hier gevoelig voor. Met gericht beheer is herstel hopelijk nog mogelijk.

Vennen liggen als natte oases in het droge Nederlandse heidelandschap. Ze herbergen een bijzondere biodiversiteit die nergens anders voorkomt. Vooral libellen zijn kenmerkend voor deze wateren. Soorten als de maanwaterjuffer, noordse witsnuitlibel en zwarte heidelibel waren tot ongeveer 2010 nog algemeen, maar zijn sindsdien sterk afgenomen. In sommige gebieden zijn ze inmiddels geheel verdwenen.

Een larve van de venglazenmaker

Om de oorzaak van deze achteruitgang te achterhalen, onderzochten ecologen in opdracht van OBN Natuurkennis tientallen vennen verspreid over Nederland. Aan het onderzoek werkten onderzoekers van Stichting BargerveenRadboud Universiteit, Onderzoekscentrum B-Ware, Waardenburg Ecology, De Vlinderstichting, Bosgroep Midden Nederland en Tempelman Ecologie samen. Daarbij combineerden zij veldonderzoek met laboratoriumexperimenten. De centrale vraag was of veranderingen in waterkwaliteit en klimaat hebben geleid tot omstandigheden die ongunstig zijn voor libellenlarven.

Zuurstof als cruciale factor

Een belangrijke uitkomst van het onderzoek is dat zuurstofgebrek een sleutelrol speelt. Vennen zijn de afgelopen decennia minder zuur geworden, onder andere door afgenomen zure depositie. Tegelijkertijd is de watertemperatuur gemiddeld met ongeveer 2 graden Celsius gestegen. Laboratoriumexperimenten met venbodems lieten zien dat bij hogere temperaturen, én bij een hogere pH, het zuurstofverbruik sterk toeneemt. In warmer water zit bovendien van nature minder opgelost zuurstof. Hierdoor kan de zuurstofconcentratie in de waterlaag snel dalen tot niveaus die voor aquatische insecten problematisch zijn.

De onderzoekers bekeken ook hoe gevoelig libellenlarven zelf zijn voor zuurstoftekort. In speciale meetopstellingen werd het zuurstofverbruik van larven van verschillende libellensoorten gemeten, bij uiteenlopende temperaturen. Daaruit bleek dat vooral de maanwaterjuffer sneller in de problemen komt bij lage zuurstofconcentraties dan verwante soorten die minder sterk achteruitgaan. Voor de noordse witsnuitlibel en zwarte heidelibel was dit verschil minder duidelijk, maar ook zij blijken afhankelijk van plekken met voldoende zuurstof.

Respiratieopstelling waarmee het zuurstofverbruik van libellenlarven wordt gemeten. In het waterbad staan kleine respiratiekamers met de larven. Deze worden periodiek doorgespoeld met vers water via een pomp (links), terwijl het water in het bad continu wordt gefilterd met een UV-filter (rechts)

Verschillen tussen vennen

In het veld vergeleken de onderzoekers vennen waar libellen verdwenen zijn met vennen waar ze nog voorkomen. In vennen zonder libellen werden vaker verhoogde concentraties fosfor, ammonium en koolstof gemeten in water en bodem. Dat wijst op een hogere biologische activiteit en dus extra zuurstofverbruik. Bij de maanwaterjuffer speelde daarnaast droogval een belangrijke rol. Deze soort bleek vooral verdwenen uit vennen die de afgelopen jaren regelmatig droog zijn gevallen.

Slimme schuilplekken

Interessant is dat libellenlarven actief proberen zuurstofarme omstandigheden te vermijden. In vennen waar de soorten nog voorkomen, werden larven vooral hoog in de waterlaag gevonden, op enige afstand van de slibbodem. Ze maken gebruik van oevervegetatie, steile oevers of plekken met een dunne sliblaag. De maanwaterjuffer werd bovendien aangetroffen op locaties met grondwateraanvoer en sterke windwerking, die beide zorgen voor extra zuurstof.

Larve van de maanwaterjufferToevluchtsoord voor de maanwaterjuffer: een oever die door wind wordt vrijgehouden van slib en waar knolrus aanspoelt

Wat kunnen beheerders doen?

Op basis van de resultaten doen de onderzoekers concrete aanbevelingen voor beheer. Het verwijderen van slib kan de zuurstofhuishouding sterk verbeteren, vooral in de meest slibrijke en onbegroeide delen van een ven. Ook het vergroten van windwerking, bijvoorbeeld door bos op de zuidoever te verwijderen, kan helpen om zuurstof in het water te brengen en slibophoping te verminderen. Daarnaast is het herstellen van de hydrologie belangrijk. Lokale grondwaterstromen kunnen vennen koeler houden en beschermen tegen extreme droogte. De komende jaren worden er pilots uitgevoerd om vast te stellen of deze maatregelen inderdaad werken.

De achteruitgang van kenmerkende libellen in Nederlandse vennen verloopt snel. Juist in gebieden waar de soorten nog voorkomen, is snel handelen noodzakelijk. Met gerichte maatregelen en goede monitoring kan het leefgebied van deze iconische insecten worden hersteld, voordat ze definitief uit het Nederlandse landschap verdwijnen.

Meer informatie

  • Wie meer wil lezen over dit onderzoek en de achterliggende resultaten, kan het volledige rapport (pdf: 2,7 MB) lezen.

Tekst: Hein van Kleef, Stichting Bargerveen
Beeld: Hein van Kleef; Wilco Verberk