Insecten in laagveen hebben gradiënten nodig
OBN NatuurkennisLaagveengebieden zijn relatief rijk aan insecten als zweefvliegen, libellen en dag- en nachtvlinders. Niet van al deze soortgroepen is een trend bekend, maar de meetnetten voor libellen en dagvlinders laten in elk geval zien dat het ook hier niet goed gaat met de meeste soorten. Vooral de kritische soorten laten een negatieve trend zien. Onderzoekers van de Vlinderstichting zochten daarom in opdracht van OBN Natuurkennis uit welke kenmerken van het laagveen belangrijk zijn voor insecten, zodat beheerders er rekening mee kunnen houden.

Verschil zit in de overgangen
Kenmerkend voor laagveengebieden zijn de vele overgangen: van open water naar rietland, van nat naar droger terrein, en van open vegetatie naar struiken en bos. Zulke overgangen kunnen scherp zijn, maar ook breed en geleidelijk. In dat laatste geval vormt de gradiënt zelf een leefgebied. Het onderzoek laat zien dat de aanwezigheid en breedte van deze gradiënten sterk verschilt tussen gebieden. Gebieden met brede gradiënten huisvesten meer insecten en ook meer specifieke soorten van het laagveen.
Waterkwaliteit werkt door in de oever
De gradiënten worden onder andere bepaald door de mate waarin voedingsstoffen, en vooral bufferende stoffen, uit het oppervlaktewater doordringen in het aangrenzende land. De bufferende stoffen voorkomen verzuring. Hoe ver die invloed reikt, is in dit onderzoek gemeten aan de hand van satellietbeelden, met behulp van de zogeheten Normalized Difference Vegetation Index (NDVI). Die geeft de ‘groenheid’ van verschillende plekken weer. In dit geval is de vegetatie dicht bij het water het groenst en meest productief (hoge NDVI-waarde); verder van het water neemt dit af. Door te kijken hoe breed die groene zone is, kan worden bepaald hoe ver van de oever de voedingsstoffen en bufferende stoffen uit het water doorwerken in het landschap. Ook hier is een link gelegd tussen de resultaten en het voorkomen van insecten: gebieden met gemiddeld bredere overgangen hebben rijkere dagvlindergemeenschappen, met meer gespecialiseerde soorten.
Voedselkwaliteit voor planteneters
Voor herbivore insecten – insecten die planten eten – is ook de voedselkwaliteit van belang: bevatten de planten wel de juiste elementen, in de juiste verhoudingen? Op arme zandgronden is dit namelijk een groot probleem gebleken voor insecten. Daarom hebben de onderzoekers ook de chemische samenstelling van riet en moerasviooltje op verschillende afstanden van het water bepaald. Bij beide soorten nam het calciumgehalte verder van het water af, wat wijst op toenemende verzuring. De verschillen waren echter beperkt en ze varieerden sterk per gebied. Voedselkwaliteit lijkt in laagvenen – in elk geval bij de onderzochte plantensoorten – dus minder een probleem dan op de arme zandgronden.
Werken aan meer gradiënten
Het behouden en versterken van de gradiënten langs watergangen is voor insecten van laagveengebieden dus nodig om de dalende trends te doorbreken. Dit betekent dat beheerders moeten inzetten op ontwikkeling van jonge successiestadia en aanvoer van bufferende stoffen. Dit zijn aspecten die ook voor de vegetatieontwikkeling zelf van groot belang zijn. Met de ontwikkelde methode kan gemonitord worden hoe de aanwezigheid van gradiënten zich met het doorgaan van de successie in een gebied ontwikkelt.

Meer informatie
• Bekijk het rapport op de website van OBN Natuurkennis.
• Bezoek de Veldwerkplaats 'Belang van ruimtelijke gradiënten voor insecten van laagveengebieden' op 8 mei 2026.
Tekst: OBN Natuurkennis
Beeld: Chris van Swaay (leadfoto: zilveren maan (Boloria selene)); Roy van Grunsven; Henk de Vries; Jurriën van Deijk
