ECCB - primair

De Vlinderstichting deelt kennis over bescherming op internationaal congres

De Vlinderstichting
9-JUL-2026 - Deze week vindt het achtste ECCB-congres plaats in Leiden, waar onderzoekers, beleidsmakers en praktijkmensen de kans krijgen om kennis te delen en ideeën uit te wisselen. Gedurende deze week gaan de deelnemers op zoek naar antwoorden op de kernvraag: hoe kan de biodiversiteit op de lange termijn effectief worden gewaarborgd? Negen medewerkers van De Vlinderstichting delen daar ook hun kennis.

ECCB staat voor European Congress of Conservation Biology en het startte maandag 6 juli en eindigt op vrijdag 10 juli. Vele honderden wetenschappers, maar ook beleidsmensen uit heel Europa en daarbuiten, zijn aanwezig en delen in hun kennis. De Vlinderstichting is ook vertegenwoordigd en bespreekt in een tiental presentaties/posters projecten waarin we actief zijn.

Tove van de Weerd – Meetnet vlinders

Biodiversiteit neemt over de hele wereld in rap tempo af. Het gestandaardiseerd monitoren van soorten kan een grote bijdrage leveren aan het begrijpen en tegengaan van deze achteruitgang. Bij De Vlinderstichting worden al ruim 35 jaar op een gestandaardiseerde manier vlinders geteld door citizen scientists, later aangevuld met tellingen van libellen en nachtvlinders. Ondertussen bestaat het monitoringnetwerk al uit ruim 1400 actieve dagvlinderroutes, 500 libellenroutes en 1400 nachtvlindermeetpunten, die door meer dan 1000 citizen scientists verspreid over Nederland wekelijks geteld worden. Over de jaren is er een unieke en waardevolle dataset ontstaan, waarbij zowel de verspreiding als de dichtheid van soorten in Nederland in kaart is gebracht. Hiermee kan over de jaren een populatietrend worden berekend die in detail laat zien hoe de aantallen per soort en per gebied zijn veranderd over de tijd.

Lonneke Teunissen - Flextellen

Flextellen levert belangrijke aanvullende informatieBetrouwbare trends voor soorten zijn van cruciaal belang om het in versnelling rakende tempo van het verlies aan biodiversiteit te volgen, maar zijn tot nu toe slechts beschikbaar voor een beperkt aantal soorten en zijn geografisch beperkt. Om trendschattingen voor een bredere groep soorten mogelijk te maken, onderzoeken we het potentieel van flextellingen. Op basis van een casestudie voor de Rivierrombout (Stylurus flavipes), een libel, laten we zien dat er sinds 2012 een betrouwbare, stabiele verspreidingstrend kon worden vastgesteld door deze gegevensbronnen te combineren. Deze casestudie toont aan dat de mogelijkheid om betrouwbare trends af te leiden kan worden vergroot door vaste monitoringtransecten aan te vullen met flextellingen, waardoor ook de ruimtelijke dekking wordt vergroot met een beperkte bemonsteringsinspanning.

Chris van Swaay - Grassland Butterfly Index

Om het verlies aan biodiversiteit aan te pakken, zijn gecoördineerde observatiesystemen nodig die de monitoringinspanningen bundelen en beleidsrelevante indicatoren opleveren. Het European Butterfly Monitoring Scheme (eBMS) is een goed voorbeeld van deze aanpak: het integreert gegevens van meer dan 16.150 gestandaardiseerde transecten in 27 EU-lidstaten in een centrale database. 

De Grassland Butterfly Index (GBI) bundelt trends van 17 karakteristieke weidesoorten tot een indicator voor de gezondheid van het ecosysteem die meerdere soorten omvat. De GBI is een van de drie indicatoren die lidstaten op grond van artikel 11 van de EU-verordening inzake natuurherstel kunnen kiezen om verslag uit te brengen over de voortgang bij het een halt toeroepen aan de achteruitgang van de biodiversiteit en het behalen van bevredigende hersteldoelstellingen in agrarische landschappen tegen 2030 en daarna.

De meest recente GBI (1991-2024) laat een afname van 47 procent zien sinds 1991. Deze afname wordt voornamelijk veroorzaakt door de intensivering van de landbouw in Noordwest-Europa, waaronder habitatverlies, stikstofdepositie en de effecten van bestrijdingsmiddelen, en door de extensivering (braakleggen) van grasland in Noord-, Oost- en Zuid-Europa en de Alpen, wat leidt tot de oprukkende struikgroei en de uitbreiding van secundair bos.

Argusvlinder, een van de graslandvlinders die in de GBI gebruikt wordt. In Nederland is deze soort sterk achteruitgegaan

Koen Verhoogt – Kleurkeur werkt

Kleurkeur in de praktijkHet gaat slecht met de bestuivers in Nederland. Kleurkeur is in 2019 in het leven geroepen om via ecologisch maaibeleid van onder andere bermen en dijken de populaties van bestuivers toe te laten nemen. En met meer dan 200.000 kilometer wegbermen zijn de kansen dan ook groot! Vanuit de Natuurherstelverordening zijn er grote doelen gesteld om de populaties van bestuivers in het algemeen toe te laten nemen, en specifiek de graslandvlinders.

Op 30 locaties verspreid door het land zijn wegbermen onderzocht op de hoeveelheid bestuivers. Per locatie is er een wegberm gemonitord welke volgens het Kleurkeurprotocol werd beheerd, en een wegberm waar dat niet zo was. Uit de resultaten blijkt dat zowel het totaal aantal bestuivers, als de diversiteit aan soorten fors toeneemt met het Kleurkeurbeheer. Dit onderzoek laat dan ook zien dat ecologisch maaibeheer, zoals de methode van Kleurkeur, duidelijk kan helpen om de bestuiverpopulaties te laten toenemen, en de doelen van de Natuurherstelverordening te behalen.

Lieveke Crombach - Organisatieverandering voor stedelijk natuurherstel

Ondanks dat er steeds meer kennis is over natuur, nemen de aantallen vlinders en andere bestuivers nog steeds af. Daarom is het extra van belang om gerichter bij te dragen aan het herstel van natuur en bestuivers te laten toenemen. Dat lukt alleen als we niet alleen ín, maar ook búiten natuurgebieden werken aan betere natuurkwaliteit. Nederland verstedelijkt snel en het landelijk gebied staat onder druk. Toch is juist daar veel ruimte te winnen: natuur houdt zich niet aan door mens bedachte grenzen. In de openbare ruimte, langs infrastructuur, op bedrijventerreinen en zelfs in tuinen kunnen we geschikt leefgebied voor vlinders en biodiversiteit creëren. Als deze plekken een netwerk vormen, wordt de natuur veerkrachtiger en krijgen bestuivers meer leefgebied.

Er is al veel kennis over hoe we natuurinclusief kunnen werken in deze stedelijke omgevingen. Toch gebeurt het nog te weinig doordat bij veel organisaties kortetermijndenken en het prioriteren van materiële winst boven andere belangen als ecologische waarde nog steeds dominant is. Dit vraagt om een verandering van het denken en werken, iets waar De Vlinderstichting al geruime tijd aan werkt. Daarbij zetten we onder andere onze ervaring met gedragsverandering en leiderschap in. Zo hebben er in de infrastructuursector de afgelopen 10 jaar enorme ontwikkelingen plaatsgevonden rondom werken met natuur. Herstel van biodiversiteit in stedelijke omgevingen vraagt niet alleen ecologische kennis, maar ook een verandering van organisaties van binnenuit.

Michiel Wallis de Vries – functionele eigenschappen bedreigde soorten

Het zilverstreephooibeestje is een bedreigde soort in heel EuropaHet ombuigen van de curve van biodiversiteitsverlies richting herstel is een grote uitdaging voor de komende decennia. Rode lijsten bieden een nuttig hulpmiddel om inzicht te geven in de beschermingsstatus van soorten. Dit vergemakkelijkt het opstellen van actieplannen en beschermingsprogramma's voor charismatische en bekende soorten. Dit is echter alleen mogelijk voor een beperkt aantal doelsoorten. Voor soortenrijke groepen ongewervelden kan een op eigenschappen gebaseerde benadering een vruchtbare aanpak bieden om biodiversiteitsbehoud te bevorderen. Hier gebruikten we Rode Lijsten op landniveau om de hypothese te testen dat bedreigde dagvlinders vergelijkbare eigenschappen delen in verschillende regio's van Europa. Dit bleek inderdaad het geval. Bedreigde soorten zijn aanzienlijk minder mobiel dan niet-bedreigde soorten en in mindere mate ook kleiner en met specifieke voedselplanten. Meer gedetailleerde informatie over Noordwest-Europese dagvlinders liet zien dat bedreigde soorten niet alleen minder mobiel waren, maar zich ook langzamer ontwikkelen. Regionale verschillen waren onbelangrijk. Bedreigde vlinders kunnen dus door heel Europa worden gekarakteriseerd als weinig mobiel en met een langzame levensstijl. Dit vraagt om beschermingsstrategieën om zowel de ruimtelijke samenhang tussen leefgebieden als de kwaliteit ervan verbeteren.

Irma Wynhoff - Herstel van vochtige hooilanden

Het pimpernelblauwtje, typisch voor vochtige hooilandenNatuurontwikkeling van vochtige hooilanden brengt extra uitdagingen met zich mee wanneer deze niet alleen als plantengemeenschap wordt beschouwd, maar ook als leefgebied van een zeldzame parasitaire vlinder. Het zeldzame pimpernelblauwtje, een beschermde soort volgens de Europese Habitatrichtlijn, is voor de voltooiing van zijn levenscyclus afhankelijk van een waardplant en een waardmier. Het leefgebied van de vlinder wordt niet meer regelmatig in de winter overstroomt, dit leidt in combinatie met uitdroging in de zomer tot verzuring van de bodem. In een vijfjarig experiment werden de effecten van de sterke verschraling aan mineralen onderzocht om manieren te vinden om de bodem te verbeteren.

Door de toegenomen kweldruk zijn mineralen en voedingsstoffen hoger in de bodem terechtgekomen, waardoor de bodemkwaliteit is verbeterd en deze stoffen voor de vegetatie beschikbaar zijn gekomen. Uit chemische analyses van de bladeren en bloemhoofdjes van de waardplanten bleek dat de voedingsstoffen door de planten werden opgenomen. Ook de vegetatiestructuur is verbeterd, maar de dichtheid van de nesten van de waardmieren of de aantallen rupsjes binnen de proefpercelen is nog niet toegenomen. Desondanks is het aantal vlinders toegenomen. Er wordt een verder herstel verwacht van zowel de vegetatie als de aanwezigheid van mieren.

Nachtvlinders en de Nederlandse fysisch geografische regio's zijn uitgewerkt als voorbeeld voor de interpretatie van soortendiversiteit

Jannes Boers - Interpreteren van soortendiversiteit

Veelal worden effecten van natuurherstelmaatregelen gemeten met soortenindicatoren. Maar de interpretatie van die indicatoren is vaak minder eenvoudig dan het op het eerste gezicht lijkt. Een toename in soortenrijkdom kan wijzen op herstel, maar ook op de komst van generalisten of nieuwkomers. Een soort die vandaag de dag sterk met een gebied geassocieerd is, hoeft niet automatisch een karakteristieke soort van dat gebied te zijn.

Daarom wordt gewerkt aan een raamwerk dat recente monitoringdata combineert met historische verspreidingsdata. Het doel is daarmee niet alleen om indicatorsoorten te selecteren, maar vooral hun ecologische betekenis beter te interpreteren. Het raamwerk wordt gepresenteerd aan de hand van een voorbeeld dat is uitgewerkt voor nachtvlinders en de Nederlandse fysisch geografische regio's, maar de aanpak is bedoeld als breder inzetbaar instrument voor andere soortgroepen waarvoor voldoende data beschikbaar is.

Michiel Wallis de Vries - Basiskwaliteit Natuur

Natuurbescherming richt zich van oudsher vooral op beschermde gebieden, terwijl de ecologische kwaliteit ook afneemt in landelijke en stedelijke landschappen. De nieuwe insteek van Basiskwaliteit Natuur (BKN) pakt deze kloof aan door minimale voorwaarden te definiëren die nodig zijn om algemene soorten in verschillende landschapstypen te ondersteunen. De Vlinderstichting werkt in een Kennisprogramma samen met Naturalis Biodiversity Center, Deltaplan Biodiversiteitsherstel, Wageningen Environmental Research, IUCN en andere organisaties om dit concept met een goede onderbouwing in de praktijk te brengen.

De Wageningse collega’s lieten zien hoe BKN kan worden gebruikt voor een landsdekkende beoordeling in Nederland. Dit werk combineert gegevens over het voorkomen en de trends van soorten met indicatoren voor landschapsstructuur, milieudruk en beheer. Voor vogels, dagvlinders en vaatplanten levert dit bruikbare resultaten op. Daarmee kunnen we drempelwaarden vaststellen waar aan BKN wordt voldaan en waar verbetering nodig is. Lopend werk richt zich op het verbeteren van deze indicatoren, het uitbreiden naar meer soortengroepen en habitattypen, en het testen van de effectiviteit van maatregelen voor het verbeteren van BKN.

Roy van Grunsven - klimaatverandering en libellen

In Nederland hebben we dankzij de routes van het meetnet libellen een goed beeld van de populatieontwikkeling van libellen. Dit is een unieke dataset. We zien dat veel soorten met een meer noordelijke verspreiding sterk afnemen, vaak met 80 tot 90 procent in de laatste 10 jaar. Dit zijn vooral libellen van hoogvenen en vennen. Door naar de verspreiding van deze soorten te kijken kunnen we inzicht krijgen bij welke temperaturen ze voor kunnen komen, de zogenaamde klimaatenveloppe. Nederland is warmer geworden en heeft voor een tiental soorten de klimaatenveloppe verlaten. De gemiddelde jaartemperatuur is hier nu hoger dan wat ze historisch gewend zijn. 

De gemiddelde jaartemperatuur is echter niet wat het voorkomen bepaald. Maar wat is dan de directe oorzaak? Soms is dat droogval van vennen tijdens hete, droge jaren, zoals 2018 en 2019. Maar er zijn veel vennen die niet drooggevallen zijn en waar de vegetatie juist lijkt te herstellen. Hier speelt zuurstof waarschijnlijk een belangrijke rol. Bij hoge temperaturen bevat water minder zuurstof maar koudbloedige dieren hebben juist meer zuurstof nodig. Deze noordelijke soorten vinden we als larf nu nog op plekjes waar net iets meer zuurstof is, bijvoorbeeld doordat er wat koelend grondwater het ven in komt of doordat er geen slib is. Slib verbruikt zuurstof als het afgebroken wordt door bacteriën en dat gebeurt juist als het water warm is.

Doordat we nu weten dat opwarming een negatief effect heeft doordat de beschikbaarheid van zuurstof bij hogere temperatuur te laag wordt, is kunnen we mitigerende maatregelen nemen zoals het herstellen van grondwaterinvloed in de zomer of het verwijderen van slib.  

Tekst: De Vlinderstichting
Beeld: Kars Veling