Landschapsecologische systeemanalyse van het voormalige estuarium Lauwersmeer – deel 2: Methodiek, resultaten en vervolg
Prolander, Provincie GroningenHet Lauwersmeergebied is een voor Nederland uniek natuurgebied, bestaande uit meren (open water), graslanden, zandplaten en moerassen. Het is direct gelegen aan Natura 2000-gebied de Waddenzee. Het gebied is op 24 maart 2000 aangewezen als speciale beschermingszone onder de Vogelrichtlijn (VR) en is van internationaal belang voor trekroutes van vele vogelsoorten. Het dient als belangrijke doortrekroute en als leefgebied – waaronder als kraamkamer – voor trekvissen. Ook hebben otters en zeearenden hun intrek genomen. Maar eerst was dit gebied een estuarium, het stond onder invloed van zowel rivieren als van de zee. Sinds de afsluiting van de Lauwerszee in 1969 zijn de hydrologische omstandigheden in het gebied drastisch gewijzigd en de situatie blijft zich ontwikkelen.
Bijzonder is dat – voor zover bekend – nog niet eerder een Landschapsecologische systeemanalyse (LESA) is uitgevoerd van een (afgesloten) estuarium. In een eerder natuurbericht ging het over de samenwerking en het proces, in dit artikel presenteren we de resultaten.
Inleiding
In het Aanwijzingsbesluit van 2010 zijn instandhoudingsdoelstellingen opgenomen voor 13 soorten broedvogels en 29 soorten niet-broedvogels, zoals trekvogels en wintergasten. Twee soorten, de kluut en de bontbekplevier, worden als broedvogel en als niet-broedvogel aangemerkt. Diverse factoren bedreigen de leef-, rust- en foerageergebieden van bijna alle in het gebied voorkomende aangewezen vogelsoorten. De provincie staat aan de lat voor deze soorten en is verantwoordelijk voor het natuurherstel dat nodig is om de doelen te halen. Voor het herstel van natuurwaarden is het belangrijk inzicht te krijgen welke factoren en bijbehorende processen daarvoor verantwoordelijk zijn. Deze zijn onder te verdelen in abiotische en biotische factoren. De abiotiek betreft bijvoorbeeld de samenstelling van de geologische ondergrond, het klimaat, grondwaterstromen, grondwaterkwaliteit en bodemtypen. Maar ook de invloeden van mensen, dieren en planten hebben effect op voor deze vogels belangrijke natuurwaarden. Dit worden de biotische factoren genoemd.
Het inzicht in abiotische en biotische processen is verkregen door het uitvoeren van een LESA door Adema en Van Joolen in 2025. Hierdoor is grotendeels duidelijk geworden hoe het ecologisch systeem functioneert als gevolg van hydrologische processen: het ecohydrologisch systeem. De LESA biedt bovendien inzicht in de huidige knelpunten, kennislacunes en oplossingsrichtingen om de natuurwaarden te herstellen of optimaliseren.

Methodiek
Om het huidige ecohydrologische systeem te begrijpen is eerst uitgebreid onderzoek gedaan naar de werking van het geohydrologisch systeem in het verleden en heden. Hierbij werden paleogeografische kaarten gebruikt, die zijn opgesteld op basis van duizenden boringen en honderden sonderingen. Met behulp van hydrologische en fysisch-chemische meetresultaten uit het Water Analyse Management-portaal van Waterschap Noorderzijlvest is inzicht verkregen in het functioneren van het huidige oppervlaktewatersysteem, zoals waterpeilen, peildynamiek, afvoer en waterbalans. Bodemtypen geven informatie over de plaatselijke sedimentologische opbouw – klei, zand, veen – en hydrologische omstandigheden. Bodemdata uit verschillende digitale bronnen zijn gebruikt om de verschillende bodems in kaart te brengen, evenals de bodemkwaliteit (al dan niet verontreinigd) en saliniteit (zoutgehalte).
De biotische factoren, zoals de invloed van de mens op het Lauwerszee- én het Lauwersmeersysteem, zijn ook onderzocht. De ontwikkeling van flora en fauna vanaf 1969 met focus op leefgebieden en de huidige staat van instandhouding van doelsoorten is onderzocht op basis van literatuuronderzoek in nauwe samenwerking met Staatsbosbeheer. Alle resultaten zijn geïntegreerd in een samenvattende analyse, waaruit knelpunten, kennislacunes en vervolgonderzoeken kunnen worden gehaald.
Resultaten van de LESA
Het Lauwersmeer heeft een complexe geologische geschiedenis. Aan het einde van de laatste ijstijd en gedurende het Holoceen zijn de Groningse en Oost-Friese kustzones gevormd door tal van geomorfologische processen: processen die verantwoordelijk zijn voor de vorm van het aardoppervlak. Het fluvioglaciale – door smeltwaterstromen gevormde – Hunzedal mondde tot in de vroege Middeleeuwen uit in de Waddenzee nabij Pieterburen. Het gebied dat nu het Lauwersmeer is, was eerst een veengebied, waar de rivieren de Lauwers en de Sennaer water afvoerden naar de Waddenzee.
Tussen de Hunze en het veengebied bevond zich een omvangrijk kwelder- en intergetijdengebied met zich herhaaldelijk verleggende (Hunze)geulsystemen. Het Lauwerszee-estuarium heeft zich vanaf midden negende eeuw gevormd als gevolg van een wisselwerking tussen mariene (zee) en fluviatiele (rivier) processen en antropogene (menselijke) activiteiten in het gebied. Vanaf het jaar 1000 werd het landschap steeds meer door mensen beïnvloed door inpolderingen, het bouwen van dijken en de aanleg van sluizen. Maar ook omvangrijke veenafgravingen onder beschermende kleilagen, veenoxidatie en inklinking leidden tot bodemdaling in de kustregio. Deze processen veroorzaakten een vergroting van het kombergingsgebied met de grootste uitbreiding rond het jaar 1250. De hoofdgeul binnen het Natura 2000-gebied bevond zich destijds meer oostwaarts dan tegenwoordig. Het sub- en intergetijdengebied werd in deze periode meer dan verviervoudigd ten opzichte van de perioden ervoor. De voorloper van het huidige Nieuwe Robbengat liep oostwaarts richting het noorden in de huidige Marnewaard. De zandplaten De Rug, het Ballastplaatbos, de Zuidelijke Lob, Zuidelijke Ballastplaat en Schoenerbult bestonden toen (waarschijnlijk) nog niet.

Heden en toekomst
Het Lauwersmeer functioneert in de huidige situatie als bergboezem voor delen van Groningen en Friesland en watert via de Cleveringsluizen af op de Waddenzee. Het Lauwersmeer heeft een vast boezempeil van -0,93 m NAP, maar binnen het Lauwersmeer liggen meerdere gebieden met een ander peilregime. Dit peilregime is binnen het Natura 2000-gebied vaak geoptimaliseerd om natuurdoelen te bereiken. Het oppervlaktewater is overwegend zoet, maar in het noordelijke deel is dit – voornamelijk in de zomer – zwak brak, vanwege te weinig aanvoer van zoet water uit het achterland in combinatie met zoute kwel vanuit de Waddenzee.
De voedselrijkdom van het oppervlaktewater is hoog. Het Lauwersmeer ontvangt Rijnwater, omdat Friesland water via het IJsselmeer inlaat om verzilting tegen te gaan. De oevers van het Lauwersmeer zijn aan erosie onderhevig, terwijl de bodems van de slenken verondiepen. Het grondwatersysteem is alleen op hoofdlijnen in beeld. Met name de mechanismen achter het duurzaam voorkomen van zilt grondwater aan de oppervlakte zijn belangrijk voor het natuurbeheer. Klimaatverandering heeft impact, zoals piekbuien of langer aanhoudende droogte, op het watersysteem in het Lauwersmeergebied. Door de stijgende zeespiegel is er meer zoute kwel vanuit de Waddenzee en zijn er minder mogelijkheden om op een natuurlijke wijze te spuien. Toenemende weersextremen zullen andere eisen stellen aan de boezemfunctie, maar ook zorgen voor meer droogte en inundaties (overstromingen) in het gebied zelf.
Het Natura 2000-gebied Lauwersmeer vertoont een gradiënt van kalkhoudende zandige bodems in het noorden naar kalkrijke, zavelige en kleiige bodems in het zuiden. Het zoutgehalte van de bodems is (nog) niet vlakdekkend bekend.
De huidige ecologische successie van het Lauwersmeergebied is begonnen na de afsluiting van het Lauwersmeer. Op het land verloopt de successie in hooflijnen via twee sporen: op kleiige bodems vormen zilt grasland en riet- en ruigtevegetaties belangrijke successiestadia. Op kalkrijk zand vormen strandvlaktevegetatie, duinvalleigraslanden en duinstruwelen een belangrijk onderdeel van de successie. Deze stadia zijn belangrijk voor de natuurwaarden van het Lauwersmeer. De vanuit Natura 2000 aangewezen broedvogels en niet-broedvogels hebben leefgebieden in verschillende successiestadia van het Lauwersmeer. De leefgebieden bevinden zich niet in de climaxstadia, dus actief beheer is noodzakelijk, zodat op bepaalde plaatsen openheid wordt behouden. Zilte vegetaties en goed ontwikkelde rietlanden zijn de twee belangrijkste leefgebieden. Deze staan onder druk door onder andere verdere ontzilting, verruiging en het verdwijnen van waterriet.
In het oppervlaktewater ontwikkelden zich na de afsluiting fonteinkruidvegetaties, die belangrijk zijn voor de Natura 2000-doelen, onder andere voor kleine zwaan. Uit het onderzoek blijkt echter een achteruitgang van de bedekking van schedefonteinvegetaties.


Conclusies
De relatief grote geulsystemen kunnen mogelijk een (grotere) rol spelen in toekomstige zoute kwelsituaties in het gebied. Dit kan van invloed zijn op de landbouw en de zoetwatervoorraad. Hierbij wordt nogmaals benadrukt, dat de exacte locatie van waterstagnerende lagen, bestaande uit potklei en keileem, niet bekend zijn. Verder valt op dat de huidige morfologie – de vormen in het landschap – nauwelijks terug te zien is op de paleogeografische kaarten. Dit betekent dat de ondergrond in de huidige situatie aanzienlijk aan verandering onderhevig is geweest door menselijk handelen.
De analyse heeft geleid tot een aantal aanbevelingen ten aanzien van systeem- en leefgebiedherstel ten behoeve van Natura 2000-doelen. Er zijn echter verscheidene kennislacunes inzichtelijk geworden, die dienen te worden opgelost door middel van verder onderzoek om doelmatige maatregelen ten aanzien van natuurherstel mogelijk te maken.
Knelpunten
De knelpunten zijn gerelateerd aan de eco(hydro)logische randvoorwaarden noodzakelijk voor het behalen van de Natura 2000-doelstellingen van het Lauwersmeergebied. Daar waar dat relevant is worden ook knelpunten vanuit de Kaderrichtlijn Water (KRW) benoemd.
Knelpunten ten aanzien van leefgebieden voor doelsoorten zijn:
- Afname van vitaal rietland en waterriet.
- Geschikte broedbiotoop voor vogels van slik- en droogvallende oevers.
- Afname bedekking schedefonteinkruid als voedsel voor watervogels.
- Er is nu een goede toegankelijkheid van het gebied voor onder andere vos als predator voor bodembroeders en niet-vliegvlugge kuikens, zogenaamde pullen.
- Te hoge begraasdruk door begrazingsbeheer en in potentie door verwilderde populatie damherten en ganzen.
De knelpunten die hieruit voortkomen op systeemniveau zijn:
- Het ontbreken van natuurlijke waterdynamiek in de boezem. Deze is noodzakelijk om de vitaliteit van de rietlanden in stand te houden. Ook kunnen hogere winterpeilen ervoor zorgen dat het gebied minder geschikt wordt voor bijvoorbeeld vos.
- Het ontbreken van een zoet-zoutgradiënt in het oppervlaktewater. Deze is belangrijk voor de doelstellingen voor vogels van slik- en droogvallende oevers en ook voor het behoud van schedefonteinkruid.
Kwelstromen worden aangedreven door waterstandsverschillen. Toekomstige zeespiegelstijging veroorzaakt mogelijk toenemende kweldruk, waardoor er mogelijk meer zoute kwel via de paleogeulen het gebied binnendringt: het volgt de weg van de minste weerstand.
Kennislacunes en aanbevelingen
- Het inzicht in de werking van het grondwatersysteem is beperkt. Een betere kennis van dit systeem is belangrijk voor het beheer en behoud van zilte vegetaties. Bovendien is het belangrijk voor het duurzaam behoud van de vegetatiekundig waardevolle duinvalleivegetaties. Met een goed grondwatermodel kan de herkomst van zilte kwel in beeld worden gebracht, alsmede de effecten van zeespiegelstijging door klimaatverandering. Er is dus meer inzicht nodig, waaronder:
- Inzicht in het lokaal voorkomen van stagnerende lagen bestaande uit potklei en keileem zijn van groot belang voor het geohydrologisch model en daarmee het systeembegrip.
- Inzicht in de toekomstige dynamiek, mogelijk versterkt door relatieve zeespiegelstijging, van de relatief grote paleogeulsystemen op het lokale grondwatersysteem, de bodems, de zoetwatervoorraad en de zuidelijk gelegen landbouwgebieden.
- Inzicht in de grondwaterdynamiek in relatie tot bodemdaling en zeespiegelstijging.
- Inzicht in de invloed van een mogelijk toenemend chloridegehalte op de kwetsbare vegetatie in de duinvalleien.
- Het effect van de afsluiting van de Lauwerszee op de sedimentatie- en erosieprocessen in de slenken is groot. Erosie van platen en sedimentatie in de geulen zijn processen die nog steeds worden waargenomen. Voor antwoord op de vraag hoe deze slenken het best beheerd kunnen worden om de Natura 2000- en KRW-doelstellingen te behalen – en om de effecten van toekomstige inrichtingsmaatregelen en verschillende klimaatscenario’s in beeld te krijgen – is kennisontwikkeling noodzakelijk.
- Overige kennislacunes:
- Vanwege het belang voor Natura 2000-doelstellingen moet onderzocht worden welke maatregelen genomen kunnen worden om de groei van schedefonteinkruid te bevorderen.
- Impact op de aquatische ecologie als gevolg van temperatuurstijging van het oppervlaktewater.
- Quaggamossel verdringt de driehoeksmossel. De consequenties voor de voedselbeschikbaarheid en -kwaliteit zijn niet eenduidig aan te geven.
- Impact en effect activiteiten van Defensie op de ecologie.
Ten slotte
Deze LESA is de eerste in een hele reeks waarmee de provincie inzicht heeft willen verkrijgen in wat er speelt in de waardevolle natuurgebieden waar zij voor verantwoordelijk is. Op basis van dit soort informatie kunnen besluiten genomen worden over beheer en onderhoud, nader onderzoek en passende herstelmaatregelen. De eerstvolgende stap is het opstellen van het nieuwe beheerplan voor het Lauwersmeergebied, waarvoor de resultaten van deze LESA als onmisbare input gebruikt worden!
Meer informatie
- Voor wie nog dieper de materie in wil duiken, volgen hieronder enkele bronnen en een link naar het volledige rapport.
- Beteugeld estuarium. Cultureel erfgoed in het Lauwerszee- en het Lauwersmeergebied.
- Landschapsecologische systeemanalyse Lauwersmeer (pdf: 8,8 MB).
- Het Lauwersmeergebied, 25 jaar onderzoek ten dienste van natuurontwikkeling en beheer.
- Ontwikkelingsvisie voor het Lauwersmeergebied.
- Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu.
Tekst: Ester van Joolen, Prolander
Beeld: Prolander (leadfoto: het Lauwersmeergebied)
