Coulisselandschap

Gekraagde roodstaart voelt zich thuis in het Groningse Westerkwartier

BoerenNatuur
26-OKT-2026 - In het coulisselandschap van het Zuidelijk Westerkwartier blijken meer broedvogels te leven dan tot nu toe in beeld was. Een vijfjarig onderzoek brengt de vogelrijkdom en de kwaliteit van de houtsingels van dit gebied in kaart. De eerste resultaten stemmen hoopvol: vooral de gekraagde roodstaart laat zich opvallend vaak horen en zien.

Onderzoeksbureau Altenburg & Wymenga is afgelopen voorjaar gestart met het onderzoek in opdracht van BoerenNatuur Groningen West. De aanleiding voor het onderzoek was dat er nog relatief weinig bekend was over welke broedvogels er precies in het houtsingellandschap van het Zuidelijk Westerkwartier voorkomen.

Met deze meerjarige monitoring wil BoerenNatuur Groningen West de ontwikkeling van de vogelstand volgen en beter inzicht krijgen in de relatie tussen de kwaliteit van het leefgebied en het agrarisch natuurbeheer. 

Coulisselandschap is van belang voor soorten

Dit kleinschalige coulisselandschap ligt in het zuidwesten van de provincie Groningen, tussen de kop van Drenthe en het Lauwersmeer, en kent een afwisseling van open veengebieden, lage weilanden en houtsingels. Zo’n 280 boeren en particulieren van BoerenNatuur Groningen West beheren singels, poelen en heggen in dit coulisselandschap. Met agrarisch natuur- en landschapsbeheer zorgen zij zo voor een mooi, gevarieerd en soortenrijk landschap.

“Een aantal doelsoorten van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) is afhankelijk van dit landschap. Daarom wilden we meer inzicht krijgen, zodat we ons beheer kunnen optimaliseren en de doelsoorten er beter van profiteren”, vertelt Hilko Bron, veldcoördinator landschapsbeheer bij BoerenNatuur Groningen West.

De singels, houtwallen, heggen en poelen in het Zuidelijk Westerkwartier vormen een fijnmazig netwerk van leefgebieden. Achter elke houtsingel schuilt een kleine wereld. Oude bomen bieden nestgelegenheid, struiken vormen beschutting en een gevarieerde ondergroei biedt voedsel en veilige plekken om jongen groot te brengen.

“Het coulisselandschap in het Zuidelijk Westerkwartier heeft samen met het aangrenzende deel van de Noardlike Fryske Wâlden op Europese schaal een bovengemiddelde dichtheid van lijnvormige landschapselementen. Gezamenlijk vormen die een grote bron van biodiversiteit”, legt Bron uit.

“Met goed beheer kun je die soortenrijkdom versterken. Maar dan moet je gedegen inzicht hebben in wat er leeft en hoe de kwaliteit van de singels nu is. Zo vormt monitoring een belangrijke basis voor het verder verbeteren van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer”.

Hilko Bron (uiterst rechts) tijdens een excursie in het coulisselandschap

Kwaliteit van habitat

Altenburg & Wymenga heeft als doel van het onderzoek om de aanwezigheid van broedvogels in kaart te brengen, maar ook de kwaliteit van de habitatten. Veldonderzoekers maken foto’s en kijken onder meer naar welke en hoeveel broedvogels er zijn, hoe breed de houtsingels zijn, en of er voldoende ondergroei is – wat heel belangrijk is voor broedende vogels. Die gegevens worden dan door collega’s op kantoor verwerkt en geanalyseerd.

“Op basis daarvan doen zij aanbevelingen over hoe we ons beheer kunnen optimaliseren, specifiek per vogel of boomsoort”, licht Bron toe. “In Friesland werken ze al langer met deze monitoring, onder meer bij de collectieven Noardlike Fryske Wâlden en ELAN, deels in opdracht van de provincie. Dat sprak ons ook aan, zeker gezien de ecologische evaluatie van vorig jaar en hoe hard BoerenNatuur bezig is om monitoring te verbeteren. Je wil toch laten zien waarvoor je het werk doet. Monitoring is nogal kostbaar dus je gaat er niet zomaar mee aan de slag.” 

Het onderzoek duurt vijf jaar, waarbij de telling gebeurt via een aangepaste BMP-methode (Broedvogel Monitoring Project). Bron legt uit: “Normaal kijken we naar territoria. In dit geval kijken de onderzoekers in het Westerkwartier naar territorium- indicerende waarnemingen. Een vogel die op een bepaalde manier zingt, geeft zijn territorium aan.”

Elk jaar worden vijf telrondes uitgevoerd tussen 1 april en half juni op zeventig vaste transecten (stroken in het landschap). Daar doen dezelfde 52 boeren steeds aan mee. “Het eerste jaar hebben de onderzoekers ook de habitatkenmerken meegenomen. Wat is de kwaliteit, hoe is de boomkroonomvang, welke boomsoorten zijn er en wat is de gelaagdheid? Over drie jaar doen ze dat weer.” 

Dertig verschillende broedvogelsoorten

Bron heeft net de eerste resultaten teruggekoppeld aan de deelnemers. In de eerste telrondes hebben de onderzoekers in het Zuidelijke Westerkwartier dertig verschillende broedvogelsoorten gevonden in de droge dooradering, het netwerk van kleine en natuurlijke landschapselementen in het agrarisch gebied. “De meest opvallende is de gekraagde roodstaart”, zegt Bron verheugd.

Gekraagde roodstaart

“Daar zijn we heel blij mee. Je wist wel dat deze vogel er was – je hoorde het van mensen of zag het op Waarneming.nl – maar dat hij gebiedsdekkend voorkomt is heel bijzonder. Hij is veel waargenomen in het onderzoek, in sommige delen zelfs minstens evenveel als in het Friese deel.” 

Naast deze kleurrijke vogel hebben de onderzoekers onder meer de geelgors, boompieper, spotvogel en boomvalk aangetroffen, naast de meer algemeen voorkomende vogels. De grote lijster, een andere ANLb-doelsoort, is gehoord, maar niet gezien.

Bron: “Na het derde jaar geven de onderzoekers een tussenbalans, en na het vijfde jaar geven ze ons echt aanbevelingen mee. Bij monitoring heb je nu eenmaal een langdurige reeks nodig om trends te kunnen bepalen. Dit jaar was bijvoorbeeld een hele droge zomer. Misschien is dat volgend jaar weer heel anders.” 

GeelgorsGrote bonte specht

Monitoring als basis voor beter natuurbeheer

Monitoring krijgt de komende jaren een steeds belangrijkere plaats binnen het ANLb. De landelijke vereniging BoerenNatuur werkt daarom samen met de agrarische collectieven aan een meer eenduidige manier van monitoren.

Het doel is om beter inzicht te krijgen in de ontwikkeling van soorten en leefgebieden en in de bijdrage die het agrarisch natuurbeheer daaraan levert. Het vijfjarige onderzoek in het Zuidelijk Westerkwartier sluit hier goed op aan. “De habitatkenmerken die we uitgebreid in kaart brengen in ons gebied zijn al een aanvulling op het Verenigingsprogramma Monitoring van BoerenNatuur”, legt Bron uit. 

Zelf probeert hij zoveel mogelijk betrokken te zijn bij de ontwikkelingen op het gebied van monitoring. Zo deed hij een cursus ecologische monitoring en bezoekt hij de jaarlijkse monitoringsdag van BoerenNatuur.

“Dat is heel waardevol. Als je je bezighoudt met monitoring van de dooradering is het ook een beetje een zoektocht. Hoe meer je weet, hoe meer je kunt. Als je data verzamelt moet je er immers ook wat mee doen. We kunnen meer samenwerken met elkaar. Ik ben heel blij dat we werken aan eenzelfde systeem van monitoring, zodat we beter kunnen vergelijken binnen een collectief, maar ook tussen collectieven onderling.” 

Broedvogelmonitoring in het coulisselandschap

Uiteindelijk hoopt Bron op een positieve conclusie uit het onderzoek na 2030. “Natuurlijk hopen we dat uit het onderzoek blijkt dat veel broedvogels zich hier thuis voelen en dat de kwaliteit van onze houtsingels goed is. Maar minstens zo belangrijk is dat we straks beter weten wat goed gaat en waar verbeteringen mogelijk zijn. Met die kennis kunnen we samen met onze deelnemers het beheer verder versterken en ervoor zorgen dat vogels en andere dieren daadwerkelijk profiteren van onze inspanningen.”

BoerenNatuur Groningen West is een van de 39 agrarische collectieven in Nederland die zijn aangesloten bij de landelijke vereniging BoerenNatuur.

Tekst: Pieter Verbeek
Beeld: Mark Schuurman